Amsterdam, die groote stad

Titel
Amsterdam, die groote stad

Jaar
1936

Druk
1936

Overig
1ed 1936

Pagina's
353



welke dan geledigd worden, door daar toe aangestelde Toesienders en Arbeiders, Nachtwerkers genoemd, welke dit volgens de Keuren der stad moeten verrichten, van den ie April tot den ie October ’s avonds van g1/2 Uren tot ’s nachts ten 2 Uren, welke tijd voor eenen Nacht gerekend wordt. Voorheen wierd die in het IJ, of in den Amstel geworpen, en later, na 1655, op de Vuilnisbelten. Zij wierdt daarop ten voordeele van het Aalmoesseniers Huis verkogt. Maar later wierd die verpacht, en word nu in eene kuil aan de Diemerdijk gebracht, of in eene tjalk of groot vaartuig bewaard, en dat tot mesting verkocht. Maar bij veele van de Middenstand en geringere wordt de Drek, op kamers en kelders, in eene Emmer in zoogenaamde Stilletjes, meestal eenen geheelen week bewaard, en dan, hoewel zeer strijdig met de Keuren der stad, in de Grachten der stad geworpen. Aan veele der Bruggen zijn ook Secreeten getimmerd, van welke door geringere veel gebruik gemaakt wordt. Komend de Drek dus mee ook in de Grachten.”

Het was dus in Meijers tijd met de „huizen, kamers en kelders der Geringe”, dit wil zeggen: van de arbeiders, wel zeer slecht gesteld. Zij waren gelegen in smalle, zonlooze straten, stegen en inpandige sloppen, in den Jordaan, de Ridder- en Jonkerstraten, de Jodenbuurt, de Oostelijke en Westelijke eilanden en verschillende andere wijken der oude stad. Men vond er „bijna geene Meubelen”, want de loonen waren ongeloofelijk gering, vaak geheel onvoldoende voor zelfs het soberste levensonderhoud, zoodat „de bedeeling” in tallooze gevallen moest te hulp komen; velen zouden zonder „de soeploods” geen winter het leven hebben kunnen houden.

Onder „de soeploods” moet het volgende worden verstaan. Er waren vele weldadigheids-vereenigingen, die haren leden bons verstrekten voor warme soep, turven, brood, grutterswaren enz., welke deze leden aan hun bekende behoeftigen uitdeelden; ook niet-leden, die armen op deze wijze wilden steunen, konden zich van deze bons voorzien.

In de armzalige woningen van een of twee kamers, die „bijna geene Meubelen” bevatten, leefde, at en sliep het geheele gezin, man, vrouw, kinderen van allerlei leeftijd en beiderlei geslacht. Er werd ook de wasch gedaan, die buiten de vensters aan droogrekken, of in de kamers zelf werd uitgehangen. Men kan zich nauwelijks voorstellen, hoe het leven daar moet zijn geweest, in het verleden, dat geenszins ver achter ons ligt. In zijn mémoires, getiteld Levensbouw, schrijft wijlen Dr. F. M. Wibaut betreffende een onderzoek naar de Amsterdamsche woningtoestanden, aan hetwelk hij als lid der Gezondheids-Commissie deelnam, het volgende:

77

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.