wierd en de 100 emmers tegen 15 St. 12 penningen, maar des winters op 18 Stuivers, en dat ieder emmer moest inhouden 12 mengelen.
Bij alle deze hoeveelheid van water komt er bij strenge winters wel eens zeer groot gebrek aan water in deze Stad. Dit ondervond men zeer sterk in Januarij van het jaar 1823. De Stads-regenbakken waren ledig. De emmer water koste 6 stuivers. Veele menschen wierden in de Stad gevonden, welke in verscheide dagen niet hadden kunnen drinken. Overal wierd water vandaan gehaald, van Haarlem en elders met sleden. Ijs wierd tot water gesmolten. Het geneeskundig toevoorzigt waarschuwde een elk tegen het gebruik van ongekeurd water. De Brouwers, welke het met sleden haalden, verkogten hetzelve tegen 8 stuivers de % ton. Eindelijk gaf God uitkomst. Op den 27 January begon het te dooyen en het watergebrek hield op.
Den Ysbreeker was wel door ’s Lands en Stads werkvolk met 16 waterschuiten naar Weesp gebracht, maar konde in het algemeen gebrek niet voorzien.”
Van der Vijver, schrijvende in 1846, deelde betreffende de vorengenoemde waterhalers nog het volgende mede:
„Tot het vervoeren van versch water zijn thans geadmitteerd vijftien personen of schippers; terwijl niemand het beroep van waterhaler of ver-kooper, zonder toestemming der Regering, mag uitoefenen. Deze schippers betalen voor elke schuit, die zij met water invoeren, 621[2 cent rec< >g-nitie-geld en voor kaai- en liggeld 60 centen per week. Het admissiegeld voor eiken waterlegger is jaarlijks ƒ3.75.
De Verschwatersocieteit wordt bestuurd door vier Commissarissen, uit de schippers gekozen, met toevoeging van een Gecommitteerde, van we ge het Stedelijk Bestuur, aan wien jaarlijks verantwoording wordt gedaan en die tevens met het toezigt over de societeit is belast. De Commissarissen vergaderen eiken Maandagochtend in een daartoe bestemd vertrek op het Stadhuis, zijnde de eerste Maandag van elke maand bestemd tot eene samenkomst voor de vijftien belanghebbenden in deze societeit.”
Van welken omvang deze watervoorziening is geweest, blijkt wel uit deze opmerking van Van der Vijver: „4000 gezinnen vinden hun bestaan bij den tegenwoordigen invoer van versch water binnen Amsterdam.”
Van der Vijver vermeldt ten slotte nog:
„Daarenboven bestaat te dezer stede eene fabrijk van gezuiverd water, van den Heer A. de Bruyn, en Zoon, op den Zeedijk, welke fabrijk het water de geheele stad goedkoop zoude kunnen en willen afleveren, inge
72