lokaliteiten, in de Kalverstraat bij de Munt en op den Vijgendam. Langs de wanden stonden rekken, waarop groote wijnvaten, of vaten wijn, van namen en nummers voorzien. Wijnvaten deden dienst als tafels en vaatjes als zitplaatsen. Er werden nagenoeg uitsluitend Spaansche en Portugee-sche wijnen geschonken, die men volgens de op de vaten voorkomende nummers bestelde. Witte port No. 16 verheugde zich in een bijzondere reputatie. Het was voorheen in alle café’s gewoonte, dat denborrelaarsbeschuitjes (zeer klein formaat tafelbeschuit) werden aangeboden; een der bedienden maakte daartoe, voorzien van een trommel, de ronde. De bodega’s kwamen met een noviteit: zij tracteerden den drinkers op stukjes Chester-kaas en harde, niet zoete Engelsche beschuitjes. Thans deelt men in vele café’s bij de apéritifs van alles uit: gezouten apenootjes, stukjes kaas, zoute stengels, augurkjes en uitjes. De genoemde bodega’s zijn verdwenen. Hunne opvolgers zijn op het Damrak te vinden.
Nu uitheemsche drinkgelegenheden in het geding zijn, behoort ook melding te worden gemaakt van de Duitsche bierhuizen, waar vooral Münchener, doch ook Pilsner bier werd geschonken. Zij droegen de namen der bekende brouwerijen: Hofbraü, Löwen, Franziskaner, Paulaner, enz Sommige waren gemeubeld op itrnjte-manier : houten stoelen met gesneden ruggen, vreemd gevormde tafels, grillig gesneden lambriseeringen waarop steenen bierpullen, allerlei het biergenot aanprijzende spreuken geschilderd op de wanden. Men werd er —> en dit was iets nieuws te Amsterdam— door kellnerinnen, Duitsche meisjes, bediend. Zij zijn voor eri na verdwenen; waarschijnlijk is er niet een meer in onze stad te vinden
Fijn en onfijn. Wij hebben gezien, dat er een eeuw geleden reeds vele koffiehuizen in onze stad waren. Het is echter de vraag, of zich daaronder ook eigenlijke restaurants hebben bevonden. Wijkmeester Meijer heeft in zijn manuscript o.a. de lijst der consumptie-prijzen van een der groote koffiehuizen geplakt, op welke voorkomen broodjes met vleesch, ham, rook-vleesch, garnalen, zalm, kaas en aardbeziën, doch geen warme spijzen. Vermoedelijk moest men voor maaltijden in de hotels terecht. Van der Vijver vermeldt, dat in 1848 een „café restaurant” werd geopend „op den Dam, hoek van de Kalverstraat,” dat „een treffende vertooning maakt.” Het was het gebouw van de Sociëteit De Vriendschap, later Zeemanskoop, gesloopt ten behoeve van den bouw van Peek & Cloppenburgs Kleeding-zaak. Uit het feit van deze bijzondere vermelding mag wellicht worden afgeleid, dat men hier met de eerste inrichting van dezen aard in onze stad heeft te doen.
300