als in de Oude Stad, gaande van de O.Z. Voorburgwal tot aan het Fu-nien; de Kanaries, gaande van de Leidsche straat enz. tot aan den Binnen Amstel; het Middenwerk, gaande van de O.Z. Voorburgwal, Nieuwen-dijk, Dam tot aan de Leidsche straat; het Achterwerk, gaande van Nieuwe zijds Voorburgwal tot Haarlemmerpoort; en alles het geen in het opgenoemde begrepen is. Den volgende morgen begeven de Aansprekers zig dan aldaar elk in zijne verdeeling om het overlijden bekend te maken, en brengen des avonds de door hun geteekende Cedul weder aan het sterfhuis. Bij den Middenstand en de geringeren laat men bij dit Cedulmaken een Aanspreker komen, met welke men naar gelang van het werk de prijs bepaald, waar voor hij aanneemt om het zelve geheel te bezorgen; dit geschied ook wel aanstonds bij het overlijden. Deze bezorgt dan het buurten bekend maken, de koets, het graf enz., neemende daar dan bij tot zijne hulp die hij wil, daar de voorige alle door de Naablijvende benoemd worden. De Cedul word dan gemaakt door opgeven van hun die op Cedulmaken komen, en word door den Aanspreker of een der aanwezende geschreven. Verder handeld men daarmede als bij de aanzienelijken. Bij deze geschied deze aankondiging veelal met gedrukte Briefjes, dus luidende: „In Amsterdam den 18 . . . is overleden N.N. oud,” zomtijds
het beroep en de woonplaats. Dit nu dus verrigt, doet men met twee getuigen aangifte van het overlijden aan de Burgerlijke Stand, en haald men het Consent tot de begraving. Intusschen de kist gemaakt wordende, zoo worden de naaste vrinden nog eens des avonds verzogt bij zommige, doch veel doen de nablijvende dit ook wel alleen; men regeld op deze bijeenkomst de tijd der begraving, het loon voor de Aansprekers en de Dragers; ook schrijft men de Briefjes voor de Dragers, van deze inhoud: „In Amsterdam 18... werd verzogt om te dragen het lijk van N.N. op den Gracht of Straat, ten Uren na de kerk of het Kerkhoff.” Onder staat: ter Dispositie van N.N. met of zonder Roubanden op de Hoeden; op zulke Briefjes wierden ook de Meegaanders ter Begravinge verzogt, mits dat dan in plaats van de woorden om te dragen staat: UE word ter Begravinge verzogt. Voorheen wierd op dezelve zeer uitvoerig de geheele Famielje uitgedrukt; voor deze gedrukte Briefjes moest voor elke honderd een gulden, voor 400 25 stuivers, 2 guldens boven de vierhonderd en boven de duizend drie guldens aan het Aalmoesseniers huis betaald worden, doch zedert de vernietiging van hetzelve is dit afgeschaft. Deze Draagbriefjes dus gereed zijnde, werden door de nablijvende gegeven of door de Aansprekers bezorgt aan hun die eene Draagplaats krijgen. Voorheen moesten de naaste Geburen dit doen, en deze stelde daar een Eer in om het lijk te mogen dragen.
279