geeft daarvan een omstandig relaas, wellicht ietwat te omstandig en breedvoerig. Maar het is een niet onbelangrijk stuk folklore, dat vereeuwigd dient te worden. Hier is het:
„Ten opzigte van hun, die op hun Bedden sterven, neemt men het volgende in agt. Wanneer iemand aan den Oever des Doods gekomen is, zoo word bij veele Hervormden, uit den Middenstand en geringen, maar bij de Aanzienlijken zeer weinig, om een Leeraar gezonden, welke voorheen aanstonds plagte te komen, maar zedert eenige tijden komen dezelve maar bij de Aanzienelijken en hunne goede bekenden en verwijzen dit aan de Krankbezoekers, welke hier toe hunne wijken hebben, welke dan een Gebed voor de Stervende doen; veel der nablijvende zijn daarop zeer gesteld, dat dit geschied is en oogen de stervende daarop gerust na. Smakende dit wel zoo wat naar het Roomsche, daar volgens de leer der Hervormde Kerk de vergeving der zonden niet aan de voorbidding eens Leeraars, maar alleen van Gods vrije genade afhangt.
Bij de Roomschen word den Priester gehaald, welke na het afneemen der Biegt, en het geven van Absolutie, de Sacramenten toediend, en dus volgens hun schrijven gerust sterft, na voorzien te zijn van de Heilige Sacramenten der Roomsche Kerk. Voorheen dienden de Luttersche ook de kranken het Avondmaal toe, doch is zedert buiten gebruik gekomen.
De naaste Vrinden en Gebuuren nu rond om het Bedde vergadert zijnde, geven aan de stervende eene afscheidskus, en sluiten dezelve de oogen als hij gestorven is, of men legd duiten op dezelve om die digt te doen gaan. Wanneer de ziel het Ligchaam verlaten heeft, houd men de hand op de borst of men voelt de pols, of men houd een spiegel boven de mond, om te zien of er nog eenige teekens van leven in zijn, en dan zend men om Menschen die het Lijk ontkleden; dit geschied thans meest door geringe Menschen, als Kruyers en Schoonmaaksters welke daar voor moeten beloond worden. Voorheen deeden dit de naaste Buuren, waarvan het spreekwoord: „Men kent een vriend in nood en dood.” Men kleed het lijk geheel uit, trekt het een Hemd aan en zet het eene Muts op en legt het op stroo, meest in dezelve Bedstede daar het in gestorven is, soms op een Rustbank of ook wel op den grond; maar thans is het veel in gebruik gekomen om het lijk de klederen aan te laten en het zelve in een Laken te winden; men vouwt de handen zamen, en zorgd dat de oogen gesloten blijven. De Doodkist nu gemaakt zijnde, leggen de Timmerlieden, welke dezelve brengen, het lijk in dezelve; de kisten zijn alle zwart geverwd; voorheen mogten in deze stad geene eikenhouten kisten gemaakt worden, wegens deszelve langdurigheid, maar thans worden voor aanzienlijken
277