Deze ambtelijke poëzie doet denken aan de zonderlinge gewoonte van den Britschen minister Canning, om officieele brieven in dichtvorm te schrijven en aldus in 1826 ook schreef aan den gezant te ’s Gravenhage, in welk epistel de bekende regels voorkomen:
In matters of trade the fault of the Dutch Is offering too little, and asking too much.
Boven den ingang van Costers Academie, den schouwburg op de Keizersgracht, stonden deze regels van Vondel:
De weerelt is een speeltooneel,
Elck speelt zijn rol en krijght zijn deel,
waarschijnlijk ontleend aan Shakespeares regels in Asyou like it:
All the world’s a stage,
And all the men and women merely players.
In de vestibule van denzelfden schouwburg stond deze waarschuwing, eveneens van Vondel:
Geen kint den schouwburg lastig zij.
Tabackspijp, bierkan, snoepery,
Noch geenerley baldadigheit.
Wie anders doet, wordt uytgeleit,
hetgeen wel vriendelijker klinkt dan het tegenwoordige korte en norsche bevel: Niet rooken.
Boven den ingang van het Werkhuis in de Nieuwe Kerkstraat steekt een steenen leeuw den kop uit en zegt, in P. C. Hoofts taal:
Schrik niet. Ik wreek geen kwaad, maar dwing tot goed. Straf is mijn hand, maar lieflijk mijn gemoed.
De Latijnsche School op het Singel prijkte met het opschrift:
Disciplina Vitae Scipio.
Arte probus, probitate pius, pietate beatus Ut vere fias, haec schola culta dabit,
hetgeen, eenigszins vrij vertaald, beteekent: Tucht is de staf des levens.
237