De stad kan verder bogen op tal van inrichtingen van voorbereidend hooger en middelbaar onderwijs: lycea, gymnasia en hoogere burgerscholen, zoowel gemeentelijke als bijzondere, een middelbaar technische school, ambachtsscholen, opleidings-inrichtingen van zeer verscheiden aard, welker opsomming aanzienlijke ruimte in beslag zou nemen.
Nog veel meer ruimte zou een zelfs beknopte beschrijving van het lager onderwijs vorderen. Er moet echter worden volstaan met eenige korte opmerkingen.
De scholen, van welke de Wijkmeester gewag maakt, zijn in den loop der tijden verdwenen. Armen-, tusschenscholen e.d. kent men sinds lang niet meer. Ook de havelooze scholen — prachtige terminologie — behooren tot het verleden. Wel kende tot vóór betrekkelijk korten tijd het openbaar lager onderwijs scholen iste, 2de, 3de en 4de klasse, de eerste bestemd voor kinderen van on- en minvermogenden, de beide middelste voor die van kleine en van gezeten burgerlieden, de laatste voor die van ver-mogenden. Ook deze classificatie ligt achter ons. Sedert de gelijkstelling van de bijzondere met de openbare scholen is het aantal der eerstgenoemde sterk toegenomen, dat der laatstgenoemde even sterk verminderd. De meeste bijzondere scholen staan op godsdienstigen grondslag. Echter niet alle. Er zijn ook bijzondere openbare scholen. Een van de voornaamste dezer is de school, welke onder leiding van den heer De Vrij stond, die allerlei nieuwe onderwijsmethoden toepaste. Nog nieuwere methoden, die van Montessori en Dalton, vonden eveneens ingang, vooral de eerstgenoemde; er is zelfs een Montessori-lyceum. Vermelding verdient nog dat de stad eenige openlucht-scholen bezit.
Des Wijkmeesters meening omtrent de funeste uitwerking van het onderwijs op de kinderen der „geringere”, zal waarschijnlijk wel die van vele zijner tijdgenooten-aanzienlijken zijn geweest. Zij is echter niet de overheerschende geworden. Het onderwijs is in de eeuw, verloopen sinds de brave, doch wel ietwat benepen man zijn these neerschreef, zeer uitgebreid en verbeterd, al is ook het ideaal nog lang niet bereikt.
Van de wetenschap naar de kunst il ri'y a qifunpas. Zij zijn zelfs te ’sGra-venhage, met het onderwijs, in één departement zusterlijk vereenigd. Hier zal echter slechts de beeldende kunst behandeld worden en wel voornamelijk de schilderkunst, met de daarmede verbonden grafische kunsten, hetgeen door den aard der dingen wordt geboden, want de beeldhouwkunst is in ons land eenige eeuwen lang van geringen omvang en van niet zeer groote beteekenis geweest. Andere takken van kunst, vooral tooneel en muziek, komen straks aan de beurt.
*55