bij de thee, bij maaltijden tusschen het eene gerecht en het andere, in „dancings” en waar niet al, in zulke mate, dat de overheid zich, te recht of ten onrechte, genoopt zag regelend en beperkend op te treden — precies zooals in het verre verleden geschiedde. Uhistoire se répète.
Het snuiven was in Meijers dagen „zeer algemeen”. Het geschiedde ook nog veel in schrijvers jeugd. Thans is het geheel verdwenen. Het „tabak kauwen of pruimen”, vroeger zeer verbreid, wordt thans slechts door zeelieden, haven- en andere „ongeschoolde” arbeiders beoefend en di; in afnemende mate. Rooken is daarentegen zeer algemeen, „zelfs in bijzijn der Vrouwen”, die thans zelf een aanzienlijk contingent van het rookers-gilde vormen, zij het dan dat zij zich bepalen tot cigaretten; vrouwen die sigaren rooken, zooals o.a. te Kopenhagen gebruikelijk is, kent men hier (nog) niet. De cigarette (Amsterdamsch: saffiaantje) is trouwens sinds ettelijke jaren het „rookertje” bij uitnemendheid geworden. In schrijvers jeugd waren zij zeldzaam. Men kende slechts de ronde pakjes van de Fransche Régie en van Bastos te Algiers, alsmede de van mondstukken voorziene van Chapchal te St. Petersburg. Thans is het aantal soorten en merken eindeloos en het verbruik enorm.
De koffiehuizen en restaurants hebben in den loop van eenige tientallen jaren aanmerkelijke concurrenten gekregen in de lunchrooms en het allerlaatst in de cafetarias. (Naar Nederlandsche woorden in plaats van quasi-Engelsche en Italiaansche, heeft men natuurlijk niet gezocht; liet woord noenzaal, dat de A.N.W.B. heeft gefabriekt, vindt nergens ingang.) Er zijn ook vele bars (natuurlijk weer Engelsch) geweest, doch hun aantal is sterk slinkend; en de stad is niet zonder zoogenaamde automatiques en ijspaleizen. Er was ook een tijdperk, waarin de Maastrichtsche en de Münchener Bierhuizen talrijk waren. Zij zijn geheel verdwenen.
Van drie zeer bijzondere drink- en eetgelegenheden moet hier nog melding worden gemaakt, twee van welke alleen de oudste thans nog levende Amsterdammers zich kunnen herinneren: Roetemeyer en De Groote Slok, beide in de Amstelstraat, en Die Port van Cleve, N.Z. Voorburgwal. In de straten, achter en tusschen de Heeren- en Keizersgrachten: Kerkstraat, Reguliersdwarsstraat, Lange Leidschedwarsstraat, Amstelstraat, bevonden zich, en bevinden zich nog, maar thans met andere bestemming, zeer vele stalgebouwen, waarin voorheen de equipages en paarden van de grachtenbewoners geborgen werden. In een paar van deze stallen vestigde in het midden van de 19de eeuw een heer Roetemeyer een primitief, doch blijkbaar zeer aantrekkelijk bierhuis. Het werd zeer druk bezocht en was ook voor buitenlieden een van de attracties der hoofdstad.
106