OVERZICHT VAN HET JOODSE HUWELIJKS- EN ECHTSCHEIDINGSRECHT
van 'bedrog' doch enkel bedrog met betrekking tot de afgelegde verklaring;1 indien uit de verklaring van de vrouw blijkt dat zij een huwehjk beoogde met die man, maar dat het motief van die man om met haar te huwen slechts was om een verblijfsvergunning te verkrijgen, dan komt aan haar geen vordering tot nietigheid toe.2
Een huwehjk gesloten onder bedreiging kan ook nietig worden verklaard.3
De actie tot nietigverklaring vervalt, wanneer partijen na het bekend worden van de dwaling of bedreiging zes maanden hebben samengewoond zonder het verzoek te hebben gedaan.4 Partijen hebben dan berust in de huwelijkse situatie.
De nietigverklaring werkt terug tot het tijdstip van de huwelijkssluiting5, maar goede trouw rekent het niet toe aan hen die onbekend zijn met de oorzaak van de nietigheid; dus ten aanzien van kinderen geboren uit dat huwehjk6. Dit betekent dat door de nietigverklaring de status van die kinderen niet wordt aangetast en ook voor de te goeder trouw zijnde partner veranderen niet zijn rechten en verplichtingen ten opzichte van de kinderen, ook niet ten opzichte van de huwelijksgoederengemeenschap. Ook derden te goeder trouw hoeven niet te vrezen voor hun rechten7.
Met betrekking tot de nietigverklaring cq vernietiging van het huwehjk verschilt de situatie naar Nederlands recht nogal met die naar Joods recht. Gelet op het verschil in positie, met name die van de vrouw die naar Nederlands recht zelfstandig in rechte kan optreden, is dit niet verwonderlijk.
Met betrekking tot de (Joodse) status van de kinderen maakt het niet zoveel verschil: de status van de moeder is bepalend voor hun status. Mocht er desondanks twijfel bestaan, dan kan worden gezegd dat de
166
1 vgl art. 111:44 lid 3 BW.
2 Hof's-Hertogenbosch 13 okt. 1994. NJ 95,358.
3 Art. 1:71 lid 1 BW.
4 Art. 1:71 lid 3 BW.
5 Art. 1:77 lid i BW.
6 Art. 1:77 Ud 2 BW.
7 Asser - de Boer noot 65, p. 152.