OVERZICHT VAN HET JOODSE HUWELIJKS- EN ECHTSCHEIDINGSRECHT
het ware "geblokkeerd". Ter oplossing van deze 'pat-stelling' heeft de Nederlandse wetgever een procedure ontwikkeld om hier uit te komen. Een rechthebbende kan bij de rechtbank een procedure beginnen om een "Verklaring van rechtsvermoeden van overlijden" te verkrijgen. In de hiervoor aangehaalde casus bedraagt de termijn van onzeker zijn een jaar. Indien de omstandigheden zijn dood niet waarschijnlijk maken, bedraagt de termijn vijf jaar. De rechtbank stelt een tijdstip vast waarop de vermiste persoon wordt opgeroepen. Er kunnen getuigen worden gehoord en er kunnen andere bewijsstukken worden vergaard. Is op de oproeping van de rechtbank niemand verschenen die behoorlijk van het in leven zijn van de vermiste heeft doen blijken, dan verklaart de rechtbank dat er een rechtsvermoeden van overlijden bestaat. Als tijdstip geldt de dag volgend op die van de laatste tijding van zijn leven, tenzij er bewijs van een ander moment is.
Nadat een dergelijke beschikking onherroepelijk is geworden, stuurt de griffier van de rechtbank deze beschikking naar de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de verlaten woonplaats, waarna een akte van overlijden wordt opgemaakt.
In Afdeling 3 van het burgerlijk wetboek worden regels gegeven omtrent een eenvoudiger vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen. Hiervan is sprake als het lichaam van een vermist persoon niet kan worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in aanmerking nemende, het overlijden met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een feit is. Hiertoe kan op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van belanghebbenden de rechtbank verklaren dat de vermiste is overleden. Deze regeling is beduidend eenvoudiger dan die voor het 'rechtsvermoeden van overlijden'. De regeling werd ingevoerd na de vliegramp te Tenerife (27 maart 1977). De regel vindt toepassing in het volgende geval:
a. de vermissing moet in Nederland hebben plaatsgevonden
b. de vermissing heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig.
c. de vermiste is Nederlander
d. de vermiste had zijn woon- en verblijfplaats in Nederland.
Ook als de persoon buiten Nederland is overleden en geen akte kan worden overgelegd, dan kan ingevolge artikel 426 lid 2 Boek I BW de
136