OVERZICHT VAN HET JOODSE HUWELIJKS- EN ECHTSCHEIDINGSRECHT
de vrouw in de staat waarin ze zich bevinden. Hierdoor zijn de echtelieden ook economisch aan elkaar gebonden; de vrouw kan slechts het "bloot eigendom" vervreemden, de man slechts het vruchtgebruik. Daarnaast bestaat er nog een andere categorie 'nigsee tson barzel'1genoemd; deze goederen komen onder beheer van de man onder de conditie (in de ketoeba vastgelegd) dat, indien ze bij overlijden van de man teruggaan naar de vrouw, dit in de oorspronkelijke staat dient te geschieden. Eventuele waardevermeerdering of -vermindering zijn voor rekening van de man2®2. De vrouw behoeft geen compensatie in de vorm van geld van de erfgenamen te accepteren3®5.
Zaken die geschonken zijn met een bepaald doel (bijvoorbeeld voor betaling van extra ziektekosten)4of zaken die door de man aan zijn vrouw zijn gegeven, worden geacht buiten het vruchtgebruik te blijven en blijven dus in volledige eigendom van de vrouw5®7: "hij die geeft doet dat ruimhartig en zonder condities".
IV.2.b Rechten van de vrouw
Voor de rechten van de vrouw verwijs ik naar de hiervoor vermelde plichten van de man.
Er lijkt in de geschiedenis van het Joodse huwelijksvermogensrecht een ontwikkeling zichtbaar waardoor de handelingsbekwaamheid van de vrouw, door verandering in de status van de huwelijkse zaken, van een volledige beschikkingsbevoegdheid gaat naar een beperktere beschikkingsbevoegdheid. Epstein6 dateert deze verandering al in de periode van de Eerste Tempel zich baserend op bKet. 46b. De basis van de rechtsfiguur 'vruchtgebruik' is volgens de Palestijnse Talmoed2®9 dat de man beter in staat is voor de zaken te zorgen dan zijn vrouw. Volgens de
98
1 Vgl. Romeinsrechtelijke 'pecus ferreum' en het Germaansrechtelijke 'Eisenvieh'. Het duidt op een ontwikkelde agrarische samenleving.
2 S.A.E.H. 85:2.
3 S.A.E.H. 88:3.
4 S.A.E.H. 85:11.
5 S.A.E.H. 85:7.
6 JMC, o.c. 52, pp. 115-116.