OVERZICHT VAN HET JOODSE HUWELIJKS- EN ECHTSCHEIDINGSRECHT
IV.i.a.9 Levensonderhoud van de Wezen.
Omdat dochters niet van hun vader erven, zijn ze deswege gerechtigd tot levensonderhoud uit de nalatenschap tot het moment waarop zij kidoes-jien ontvangen. Volgens een andere lezing zijn zij hiertoe gerechtigd tot zij meerderjarig worden1. Dochters krijgen wel een deel van hun vaders erfenis door een rabbijnse wet dat elke dochter een bruidsschat van tien procent van de resterende erfenis toekomt.2 Als de erfenis echter heel beperkt is, gaan de dochters voor hun levensonderhoud vóór de zoons wat betreft hun aandeel in de nalatenschap.
IV.i.a.io Erfrecht voor Zoons van de Ketoeba van hun Moeder3
Deze bepaling werd geschreven ingeval hun moeder zou overlijden en de vader als enig erfgenaam van zijn vrouw zou hertrouwen. Dan zouden de zoons uit dit volgende huwelijk gelijk mee-erven en dus zou het aandeel in hun moeders bezit (sterk) kunnen verwateren. Deze regel 'takkana benien diechrien' genaamd (erfrecht van zonen van hun moeder) raakte bij de 'modernisering van het erfrecht' buiten gebruik.
De bepalingen 5 t/m 10 staan in de hedendaagse huwelijkscontracten niet met zoveel woorden geformuleerd, omdat men een te duidelijke opsomming niet in overeenstemming met het huwelijk vindt. Ze zijn opgenomen in de formulering "Alle materiële en verdere verplichtingen, die de Joodse voorschriften mij jegens U opleggen, zal ik volbrengen".
94
1 mKet. 4:3.
2 Voor de ontwikkeling van het erfrecht voor dochters, zie Hauptman, o.c. 90, hoofdstuk 8.
3 mKet. 4:io,bKet.52b en S.A.E.H. in.