De samenvatting van het oergebeuren in dat boek, dat de latere neerslag is van Israels traditie uit zijn rijpere tijd, Deuteronomium, die gedragen en tegelijk bewogen herinnering aan de mozaïsche periode, geeft uitdrukking aan de geest, waarin de opbouw werd ondernomen. Overmachtige goddelijke daden, die dit volk losmaakten uit zijn omgeving en op eigen voeten zetten; die goddelijke gunst een greep uit almachtig ondoorgrondelijk behagen; bij het volk, en vooral bij zijn leider, een sidderende verrukking over het lot, dat hem werd toebedeeld; goddelijke ijverzucht over deze verkoren mensenstam, die het niet moest wagen zich aan anderen gelegen te laten liggen; een innig en exclusief verbond, een samentrekken van alle aandacht en genegenheid op elkaar van goddelijke en menselijke partner; zinspelingen op het tragische verloop van deze hooggespannen verhouding door afval en verslapping aan Israels kant en uitingen van toorn en woede met daartegeningaande bewegingen van erbarmen en ontferming aan Gods kant. De heftigheid van de gemoedsbeweging, waarmee Israël zijn geschiedenis beleefde, als een omgang met een oneindig bewogen en bewegende God, wiens felheid van liefde en haat het menselijke in de schaduw stelt, de ontzetting in de volksziel, die zich vormt onder het voortschrijdende gebeuren, over zulk een bemoeiing van boven, over zulk eén daadkrachtige en onweerstaanbare hemel, die onzichtbare wederpartij, die geen ogenblik sluimert of slaapt, ze liggen aan de wortel van de eeuwige nervositeit van dit volk. Het kan niet tot rust komen, zolang deze wereldgeschiedenis zich afwikkelt, want het is zelf de rode draad daardoorheen, het spoor van goddelijke actie en reactie, het vlees waaraan God zijn kentekenen stelt. Deuteronomium geeft deze gedachten als „mozaïsch”, d.i. oorspronkelijk Israëlitisch, in de opzet en de structuur van het volk als zodanig begrepen. De keerzijde van deze bijzondere toewending Gods is, dat dit volk ook blindelings volgt en vertrouwt. Het heeft op niets anders te letten. Het heeft te luisteren en te gehoorzamen; andere religies zijn verleidingen en de volkeren, die ze belichamen,
88