Het Joodse vraagstuk

Titel
Het Joodse vraagstuk

Jaar
1946

Pagina's
200



rechtspraak ,.kata tous patrious vomous” (overeenkomstig de voorvaderlijke wetten) voor zover de staatsinstanties dit toelieten en dat was zeer ver. Zulke soort nederzettingen kende het Romeinse rijk van verschillende oriëntaalse volken, Phoeniciërs, Egyptenaren. Ze verzorgden de gemeenschappelijke belangen, materiële en geestelijke, vooral de cultus. In Alexandrië en Cyrene vormden de Joden zelfstandige politieke lichamen; ook in steden waar ze het burgerrecht hadden behielden ze toch hun aparte organisatie, zodat ze dubbel recht hadden. Zulk een toestand veronderstelt natuurlijk, dat de betrokken staat de Joodse cultus toeliet, wat onder de Ptolemaeën en Selenciden reeds vanzelfsprekend was en sedert Caesar en Augustus ook in het Romeinse rijk het geval was: het Jodendom was religio I icitii. Dit ging verder tot recht van eigen vermogensbeheer en rechtspraak over eigen leden. Bovendien werden de Joden op punten, die hun religie raakten, van staatsdiensten vrijgesteld: wat vooral met de sabbat nogal wat met zich bracht. Vandaar vrijstelling van krijgsdienst, van de verplichting om op sabbat voor het gerecht te verschijnen, enz. Deze regelingen uit Caesars tijd zijn later gehandhaafd. Op grond van deze oude rechten bleven de Joden ook vrijgesteld van de keizercultus, korte moeilijkheden onder Cali-gula daargelaten. De Yespasiaanse oorlog heeft deze rechtstoestand niet aangetast, behoudens het punt van de tempel-schatting, die voortaan voor Jupiter Capitolinus moest worden opgebracht. Ernstiger bedreigd werd de Joodse situatie door de verscherpte houding onder Trajanus en Hadrianus door het verbod van besnijdenis, welk verbod echter onder Pius weer werd ingetrokken. Wel bleef overgang belemmerd door het verbod van besnijdenis van niet-Joden. Onder de Christen-keizers bleef de toestand vrijwel dezelfde; de Joden behielden uitoefening van cultus, eigen vermogensbeheer en eigen rechtspraak. Ook de Christenvervolgingen tastten deze rechten niet aan. Wat hun burgerlijke status betreft waren de Joden doorgaans vreemdelingen, maar in een aantal steden hadden ze vol burgerrecht, met name in de steden, die in de Hellenistische tijd nieuw waren gesticht

83

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.