gieuse, op verering van de éne allerhoogste God gericht, met positieve waardering van de verschijnende wereld als zijn schepping, gesteld onder de goddelijke wil tot voleinding. De Joden hadden iets gretigs in hun houding tegenover het leven, een oervitale appreciatie van alle verschijnselen, voortkomende uit hun lust om de dingen om te zetten in bruikbaarheid. De geestelijke competitie met die beide grootmachten was voor het Jodendom een geweldige inspanning, waarvan de terugslag in zijn organisatie en denkwijze te vinden is.
Het Jodendom heeft de strijd aangebonden door die eigenaardige vorm van nationale existentie voort te brengen, die overal thuis kon zijn en toch een fanatiek patriotisme kweekte. Cosmopoliet en tegelijk patriot, dat was de signatuur van de Jood in deze periode. Men behoorde bij een collectivum, dat het best als „geestelijk lichaam” kan worden beschreven, geleid en bezield door zijn God, die inwerkte door een rijk geschakeerde hiërarchie van geestelijke krachten. Eigenlijk was de menselijke gemeenschap niet anders dan het aardse complement van de onzichtbare geestelijke wereld. De natie was „kerk” geworden, manifestatie van de goddelijke volheid in de vormen van het mensenleven, met een tendens naar universele voleinding. De algemene ontwrichting van de vroegere staten en rijken door de expansiepolitiek der Hellenistisch-Romeinse heersers had een crisis in het bewustzijn der mensen tevoorschijn geroepen, die zeer diep ging en door en door religieus van aard was. De gistingen, die hiervan het gevolg waren, maakten die eeuwen tot een uitermate intense en interessante proefneming, welke formaties deze vergeestelijking en universali-sering konden verdragen en welke er bij moesten verschrompelen. Het Jodendom heeft deze proef doorstaan, dank zij de restauratie tot gemeente rondom de voorvaderlijke traditie, vastgelegd in de Tora en de daarop voortbouwende Talmud, het werk van de organisatoren van het nieuwe Joodse leven tijdens en na de ballingschap. Zij hebben daarmee het centrum geschapen, waaromheen zich het Joodse volk kon constitueren en ontwikkelen onder alle omstan-
80