bewustzijn, een wereldfunctie te vervullen. De diaspora was dan ook minstens even belangrijk als bet Palestijnsche Jodendom en vertegenwoordigde in zekere zin duidelijker en moderner het Joodse karakter. Het vertoont doorlopend die beide trekken van universaliteit en particularisme, die het in zijn wezen moeilijk grijpbaar maken.
Het stond hiermee niet alleen in zijn tijd. Ook de Perzische en de Grieks-Hellenistische levensvisies hadden een achtergrond van eigen aan stamland gebonden nationaal bestaan, dat buiten zijn grenzen trad en door vergeestelijking tot wereldbeschouwing en levensnorm universeel karakter verkreeg. Men kon spreken van de Perzische en de Hellenistische „natie”, maar bedoelde dan een geheel, dat niet zozeer staatkundig viel af te grenzen als wel cultureel. De tijd van de besloten staten was geweest; van de belangrijke ging het geestesbezit over als erfenis aan de hele wereld. Het stempel van haar afkomst bleef zulk een formatie echter dragen en lang niet iedere belijder stond zelf in de vrijheid van het universalisme, dat doorbrak. Nationale trots en angst voor vervloeiing waren de tekenen van het gebrekkige zelfvertrouwen, waarmee men de nieuwe tijd inging en deze beide gevoelens drongen ook in hoofdzaak tot de maatregelen van zelfbescherming, die als tegenhanger dienden.
Bij de Joodse natie waren beide kanten bijzonder sterk uitgesproken. De pretentie het heil voor de gehele wereld te zijn en tegelijk een scherp onderscheiden volk te blijven dreef de Joden tot hun krachtige propaganda en tot hun gelijktijdige afweer naar buiten. Ze leefden zodoende in de ruimste verspreiding en toch ook afgezonderd in hun ghetto. De voornaamste steden hadden Joodse kolonies, die in wijken samenwoonden, maar die door hun materiële en geestelijke ijver zover mogelijk het leven van de bevolking doordrongen. Men kende ze dus wel als aparte groep, maar als een groep die zich liet gelden overal waar de gelegenheid zich maar voordeed. En deze houding in het practische leven was gefundeerd in de principiële opzet van het Joodse volk als zodanig.
De Perzische periode was slechts kort van duur. Wat Cyrus 78