se wereldimperium, dat deze gehele periode heeft beheerst. Ze vormden daarin ook geen geringe macht. Men berekent het getal Joden bij het begin van onze jaartelling op 4 a 4Va millioen. ongeveer 7 °/o van de totaalbevolking van het Romeinse rijk. Slechts V2 millioen er van woonde in Palestina; verder telde men ruim 1 millioen in Syrië (met Mesopo-tamiëj en 1 millioen in Egypte. Ze waren voor een deel boeren. maar verder vooral kleine handwerkers en handelaars, geconcentreerd in de steden die knooppunten waren van het verkeer. Zo had Alexandrië een Joodse bevolking van ongeveer 200.000. In het westen waren ze veel minder dicht gezaaid; voor de stad Rome telde men ongeveer 15.000 zielen.
Na I ladrianus bestond er eigenlijk alleen nog diaspora-Jodendom. Jeruzalem was voor Joden verboden gebied, Judea werd vrijwel ontruimd. Alleen in Galilea leefden ze voort, met als centra Tiberias, Sepphoris, Caeserea.
In 212 werden de Joden evenals alle bewoners van het imperium tot Romeinse burgers verklaard. Zelfbestuur en rechtspraak in civiele zaken bleef hun overgelaten. Ze waren dus volkomen gelijkberechtigd met de anderen en hadden bovendien hun eigen organisatie op religieus-nationale basis.
Buiten het rijksgebied was vooral de Joodse bevolking van Mesopotamië van betekenis, sedert 200 losser van de leidende centra in Palestina. Onder de Seleuciden hadden ze eveneens autonome organisatie als Joodse gemeenschap onder hun „Resch Galuta” met eigen rechtspraak. Hij was den koning verantwoording schuldig voor de belasting en het aandeel der Joden in de militaire dienst. De laatste Parthen-koningen begunstigden het Joodse streven naar eigen ontwikkeling.
De crisis van het exiel waren de Joden dus glansrijk te boven gekomen; men kan zelfs zeggen dat ze daarna een nieuwe bloei hebben bereikt, maar in een geheel andere bestaansvorm dan vroeger. In plaats van als volk Israël in het eigen land met eigen dynastie, vinden we de Joden terug als vaderlandloze natie, door het wijde imperium verspreid.