ken kinderen zelf zullen als ze ouder worden er de verwarrende gevolgen van ondervinden, omdat ze niet geholpen worden de innerlijke problemen van deze zeer moeilijke jeugd met volle ernst en vrijheid uit te vechten. Ze zullen het leger versterken dergenen, die aan activisme en opportunisme vervallen, omdat hun existentie principieel is blijven zweven.
De eerste practische eis is dus, dat ieder zich van deze actuele toestand bewust wordt en dat de jongeren in die geest worden opgevoed. Men kan op allerlei gebied maatregelen nemen en oplossingen voorstaan, maar wanneer de betrokken mensen niet gevormd zijn tot dragers van de noodzakelijke geest en vaardigheid, blijven al zulke pogingen doodgeboren vruchten van een radeloze mensheid. Wat niet met een vruchtbare visie op de toekomst gedaan wordt, vergroot de ballast van het afgewerkte verleden. Het werkt mee om de verwarring te verergeren. Gebeurtenissen op zichzelf hebben nog geen vernieuwende kracht. Ze kunnen, wanneer ze al te zwaar drukken, juist de veerkracht tot nieuwe stappen verlammen.
Deze opvoeding is geen intellectuele zaak alleen. Er zijn een aantal mensen, die intellectueel tot de radicale denkers behoren, maar die in hun hele physisch-psychisch bestaan aan hun stoel gekluisterd blijven, in wezen traag, sentimenteel, passief, gebonden. De theorieën van hervorming hebben niet het vermogen om de mens zelf mee te nemen en hem licht genoeg te maken van geest en ziel om werkelijk een verdere stap te doen, te volvoeren en toekomst te openen. Vandaar dat een voorlichting alleen door middel van geschriften niet voldoende is. De problemen moeten zo doorwerkt worden, dat ze de persoonlijkheid van de betrokkene beginnen aan te tasten en tot nieuwe oriëntering voeren. Het Joodse probleem is een van de zeer sprekende, waaraan de persoonlijke gesteldheid ten opzichte van de huidige levensvraag in haar geheel kan worden aan de dag gebracht en aangepakt. Hier ligt een enorme taak voor het onderwijs op de scholen en aan volksuniversiteiten, voor zover het de grote massa van een volk betreft, en aan de inrichtingen van hoger onder-
194