schap. Men kan er zeker van zijn, dat de overgebleven Joden een felle strijd zullen voeren voor het behoud van hun religieus-cnlturele traditie. Want met deze staan en vallen zij als onderscheiden gemeenschap, als eigen wezen, als geestelijke persoonlijkheid. Het puur biologische doet het niet, en zou trouwens ook geen wettige voortzetting zijn van het aloude Jodendom, dat steeds door zijn geestelijke structuur gekarakteriseerd is geweest, al viel deze niet los te maken van het biologische substraat. Bij deze strijd zal het er op aankomen of de poging tot zelfbehoud van het Joodse wezen gepaard gaat met een poging om deel nemen aan de geestelijke uitwisseling, die van alle dragers ener geestelijke visie op dit ogenblik wordt vereist. Wanneer dit punt wordt verwaarloosd en het eigenlijk niet anders wordt dan bewaren, in stand houden van iets dat er nu eenmaal nog is. een verbeten weigeren om de eigen tijd vruchtbaar te beleven, desnoods met opoffering van dierbare overgeleverde goederen, dan mist die poging overtuigingskracht. Zowel naar buiten, want de niet-Joodse wereld zal hier een eigen-verkoren ghetto bespeuren, dat zich stug tussen het cultuur-verkeer in wringt; als naar binnen, want de Joodse jeugd en alle Joodse ouderen, die tot zelfbezinning komen door deze tijden, zullen innerlijk gespleten worden. Uitwendige tradi-tietrouw is minder dan ooit in staat een mensengeneratie te helpen de zin van hun bestaan hier en nu terug ie vinden. Elke traditie wordt op haar wezenlijk gehalte onderzocht en beproefd, niet meer door een zekere intellectuele wetens-dorst, maar door de nood van een mensheid, die verbijsterd staat over wat zij kan en wat zij niet kan. Het is het belang van de mensheid, dat de Joodse bijdrage zo volledig mogelijk is en dus door de Joodse gemeenschap zelf zo levend en existentieel wordt geboden, dat men gedwongen wordt tc luisteren en te verwerken. Dat kan onmogelijk. wanneer die Joodse gemeenschap kennelijk alleen op eigen behoud bedacht is.
Een bepaalde toepassing van deze algemene gedachte ligt in het vraagstuk van de verzorging der oorlogspleegkinderen in Nederland. Drie a vier duizend Joodse minderjarige kin-
191