mensheid is zo fantastisch rijk aan verleden, dat het absurd zou zijn nu als geestelijke armoedzaaiers ieder op zijn bundeltje te blijven zitten. Het levend verleden stuwt met kracht omhoog zodra men oplet en soms breekt het in uitbarstingen te voorschijn, die ons er aan herinneren, dat wij op een geestelijke vulcaan leven, waarin krachten opgezameld zijn, die het leven op aarde op een gegeven ogenblik veranderen kunnen in een dodendans. Elke kleinmoedigheid komt onze generatie duur te staan. Wat tot nu toe is overgeleverd is niet bedoeld als een kluitje om aan kikkers gelegenheid te geven zich uit het water omhoog te hijsen en tegen soortgelijke kluitjes te kwaken, maar om onze levenskunst in de diepste zin van het woord te perfectioneren. Het niveau waarop wij hebben te leven wordt zeer hoog; als we het niet aan kunnen, worden we naar ongekende laagte gezogen. Om het te bereiken is het beste van de Joodse traditie even noodzakelijk als van welke andere ook, maar is omgekeerd voor de Joden het niet-Joodse absoluut onontbeerlijk.
De problemen van de diaspora, hoe de Joden met behoud van het eigene tussen de anderen kunnen verkeren, kunnen langzamerhand verschuiven in de richting van vragen als; hoe kan de Joodse traditie haar bijdrage leveren tot verheldering van het moderne levensprobleem? Wat voert zij mee als survival en wat als actuele waarde? Welk verband is er tussen haar en de niet-Joodse tradities? Uit angst voor syncretisme heeft men zulke vragen zelden of nooit in het groot aan de orde gesteld, met het gevolg dat de onderlinge vervreemding voortduurde en geaccentueerd werd. Uit deze moedwillige innerlijke isolering is het latente antisemitisme steeds opnieuw gevoed en dat zal zo blijven, als het niet tot opener verstandhouding komt.
Het bestaan van een afzonderlijke Joodse staat met een eigen Joodse cultuur in Palestina kan aan deze toestand in zoverre wending geven, dat er groter geestelijke vrijheid optreedt. De afweerhouding tegenover de onmiddellijke omgeving valt daar weg, tenminste tegenover een omgeving die als gezeten „vreemde” bevolking a priori overwicht
186