reëel in te spannen om de eis, die de tegenwoordige tijd aan de menselijke samenleving stelt, voor hun deel volledig te aanvaarden. Het rusten op verworven rechten en voorrechten maakt over de hele linie plaats voor ingespannen arbeid en bewuste regeling van het gezamenlijke levensonderhoud der mensheid. Dat is de moeilijke signatuur van de cultuurperiode die wij ingaan. Het is van het grootste belang dat de Joden, evengoed als de andere volkeren, de verantwoordelijkheid voor onze nieuwe bestaanswijze op de schouders nemen en dat het eenzijdige verdedigen van eigen „nationale” belangen (Joodse of andere) als een misdadige tegenwerking wordt gebrandmerkt van de geest waaruit wij leven moeten.
Ik zie op deze manier een hogere voortvarendheid doorbreken in de internationale verhoudingen, die ook de verhouding tot het Joodse volk raakt. Juist de zeer oude cultuurgoederen, die het in zijn traditie met zich voert en waarvan het in zijn existentie nog steeds de duidelijke sporen vertoont, dienen bij de voortbouw gebruikt te worden. Laat het er een eigen interpretatie van geven, die afwijkt van de interpretatie die de Christelijke kerk eraan geeft. De strijd om de waarheid van de geest en het leven, die in Israël aan de dag zijn getreden, hoort tot de inspanning die wij ons niet mogen besparen. Het is niet zo gek, dat die strijd niet alleen in de meer geestelijke regionen van theologie en wereldbeschouwing verloopt, maar doorgaat tot in de meest concrete vormen van het economische en politieke bestaan. Als men van een specifiek Joodse kijk op de dingen en praktijk mag spreken, dan dient deze precies als alle andere beschouwingen en practijken aan de toets van het volle leven blootgesteld te worden en in een uitwisselingsproces van grote omvang en behoorlijke diepte te worden aangepast aan de hogere actualiteit, waarin wij thans allen staan. Dit is geen werk voor de tragen van geest of de gezapigen en in zoverre is het in zichzelf al een zware, maar verhelderende proef, wie werkelijk op de hoogte leeft van zijn tijd en wie niet. Joden en niet-Joden zijn elkaar op dit punt tot een voort-
184