hun bestaan. De universele aanpassing is een eis naar beide kanten en dan niet aanpassing in schijnbare soepelheid, die steeds onbetrouwbaar aandoet, maar royale aanpassing uit welbegrepen belang van beide partijen. De gemeenschap waar Joden bij inwonen heeft recht op hun eerlijk medewerken aan de bloei van die gemeenschap, zonder dat groepsbelang of privébelang hen innerlijk afzijdig houdt. Voor zover ze het burgerrecht in die staat hebben verworven, is er geen enkele reden hen verder te discrimineren; voor zover ze een andere nationaliteit bezitten, vallen ze onder het vreemdelingenrecht. Hoever men gaan wil met het burgerrecht aan Joden toe te kennen, dient elke staat zelf te bepalen. Hoofdzaak is dat er een overklimmende idee is die de grondslag verschaft voor het samenleven van de collectieve groepen in onze moderne wereld. Deze idee kan niet anders zijn dan die van de humaniteit, gedifferentieerd naar de verschillende collectieve aspecten, geografische, culturele, religieuse. Dat deze alle de plicht hebben om samen te leven krachtens het blote feit dat ze er samen zijn, en daarbij de plicht om de grote problemen van de tijd eerlijk uit te vechten, met uitzuivering van het parasiteren, dat is het reële uitgangspunt.
Op grond van de voorgaande beschouwingen zal men ook er mee moeten rekenen, dat de Joden niet een of andere primitiever bestaanswijze volgen, maar propnlsief meeleven met de moderne cultuur en haar ontwikkeling op elk terrein. Ze zullen dus voornamelijk in die delen van de wereld leven, die bij de voortgang der cultuur aan de spits staan, of anders zullen ze in de meer achtergebleven gebieden als pioniers van de onvermijdelijke modernisering optreden.
Hun neiging en hun vermogens in de richting van het westerse cultuurleven zullen de andere volkeren prikkelen door de concurrentie die hun daardoor wordt aangedaan. Ze zullen zich tegenover de Joden hebben te handhaven om niet achteraan te komen. In plaats van zich door die toestand tot angst en zelfverdediging te laten drijven, kunnen ze er een gelegenheid in zien hun eigen bekwaamheden als cul-tuurdragende volkeren bewuster te ontwikkelen en zich
183