heeft, dat van ons wordt verlangd wanneer we hier in de tekenen des tijds pogen te lezen.
Het lezen van de tekenen is het charisma van profetische geesten. Ze komen onder ons maar zelden voor; en als ze voorkomen omvat hun visie zelden een dergelijk groter complex verschijnsel als het Jodendom. Wanneer die profetische gave ons niet verlicht, zullen we moeten trachten door naarstige studie zoveel mogelijk licht over deze zaak te verkrijgen om dan vanuit een bepaalde centrale gedachte de gegevens te ordenen.
Om te verstaan waarvan een bepaald volk in de wereldgeschiedenis een teken is, dient men behalve over een zeer grote historische kennis ook te beschikken over inzichten in de betekenis der wereldgeschiedenis als zodanig. Dit is een zaak van philosophie der geschiedenis, en wel van een universele philosophie. De zelfinterpretatie van het Jodendom kan hier dus niet voldoende uitsluitsel geven, want de betekenis van enig verschijnsel is steeds afhankelijk van de samenhang waarin het staat.
De enige universele visie op de betekenis van het Jodendom, die tot nu toe in uitgewerkte vorm is gegeven, is de Christo-centrische. Ze gaat uit van de universele betekenis van Christus en verstaat alles wat in andere volkeren, maar ook in het Joodse volk plaats grijpt in een zekere betrekking tot dit centrum.
Maar ook de interpretatie, die de Christelijke kerk geeft, garandeert geen juistheid op zichzelf. We zijn meer in de tijd van redelijke verwerking der talrijke gegevens dan in die van profetische schouw. Op dit punt kan slechts met inspanning van alle geesteskrachten aan het gebeuren een zin worden ontworsteld, die meer is dan indruk of mening. De een leest in de gruwelijke Jodenvervolgingen een teken dat dit volk behoorde te verdwijnen; de ander dat het des te kostbaarder wordt in een zichzelf verterende wereld. Wat is hier waar? Wil men op de tekenen der tijden letten, dan komt er veel op aan hoe ze worden geduid, want innerlijke en uiterlijke houding tegenover het verschijnsel van het Jodendom wordt er door bepaald. Wie het Jodendom innerlijk
168