rische voorkeur evidenter dan universeel voortschrijdend goddelijk beleid. Toch is natuurlijk een dergelijke lijn niet omkeerbaar. De wereld keert niet terug tot voor-Christe-lijke verhoudingen, ook al zou de Christelijke kerk haar zending verliezen. De verwarring, waarin wij in geestelijk opzicht leven, getuigt er van, dat de lijnen doorlopen, en wanneer ze niet duidelijk doorlopen doen ze het onduidelijk. Wat is dus de betekenis van de Joden als bloedverwant volk in de openbaringsgeschiedenis? De geest, die de Christelijke kerk belijdt, heeft zijn weg genomen door het Joodse volk, maar zich daaruit vrijgemaakt tot universalisme. Reeds aan het begin van onze jaartelling stond het voor haar vast, dat de waarheid niet aan enig bloed gebonden kan zijn. Dit was de rijpe vrucht van de kiemen, die het Jodendom zelf in zich droeg: ondanks de eerbied voor de keten der geslachten wist het zich drager van een goddelijke openbaring, die voor de hele mensheid bedoeld was. Het verschil bleef echter, dat het Jodendom de mensheid om zich heen groepeerde en dus ook al de oude verbondskenmerken, als besnijdenis, in stand hield en het Joodse volksbestaan als integrerend deel der heilsbedeling accentueerde; terwijl het Christendom het evangelie direkt aan ieder aanbood, van welk volk hij ook zijn mocht, en het geestelijk sacrament van de doop in de plaats der besnijdenis stelde. Het belijdt inderdaad, dat geest, in het symbool van het water, sterker is dan bloed. Nu de moderne wereld ontvankelijk blijkt voor allerlei volkse ideeën met een meer of minder diepe religieuze achtergrond, is het zaak met nieuwe kracht te getuigen, dat het religieuze nationalisme in en aan het Jodendom eens voor al overwonnen is. Het voortbestaan van het Joodse volk als zodanig kan daaraan niets veranderen; evenmin als een versterkt Joods nationaal bestaan als Zionistische staat. Dit alles kan van aspect veranderen al naar de politieke en sociale geschiedenis zich ontwikkelt; de geest waaruit de Christelijke kerk leeft en waarvan zij te getuigen heeft in de wereld, kan en mag door geen nationale of volkse zelfverering worden vertroebeld. Alles wat door het bloed wordt ingegeven, liefde, ontferming, kracht, vertrouwen,
162