gieus indifferent stelde, was een nieuwe aera ingeluid. Uiterlijk bleek dat in de kerstening van het Grieks-Romeinse rijk en de daarop volgende kerstening van de jonge Germaanse volkeren, die de toon gingen aangeven in de wereldgeschiedenis. Innerlijk echter was de betekenis en de strekking van de geestelijke vernieuwing, die had plaats gegrepen, in veel opzichten weer een nieuw raadsel. Zoals vroeger Israël door zijn bestaan de wereld voor een duister vraagstuk had gezet, zo deed het nu de Christelijke kerk. Zij stond voor de belijdenis, dat de goddelijke waarheid over het mensenleven universeel van karakter was, maar door de particuliere vormen van het oude Israël was openbaar geworden. Zij verbond historisch-concrete visie met geeste-lijk-universele duiding. De oude lederen zakken waren van nut geweest, maar de jonge wijn deed ze barsten. De Christelijke kerk had dus de Joodse openbaringsgeschiedenis te transponeren in termen, die de universele strekking duidelijk deden uitkomen, en als zij zichzelf het „nieuwe Israël” noemde betekende dat eveneens een overzetting van de Joodse vormen in nieuwe.
Als zij het begrip uitverkiezing hanteerde, was dit losgemaakt van een bepaalde natie en moest het dienen om het bijzondere goddelijke besluit met de verdere geschiedenis der gehele mensheid aan te duiden.
Als zij aan de gedachte der wedergeboorte sacramentele uitdrukking gaf. kon dat niet meer zijn in vormen die een physiek-nationale regeneratie symboliseerde, maar moest ook in de vorm de totale vernieuwing uit het nieuwe element van de geest worden uitgedrukt. De doop mei water verdrong de besnijdenis.
Op het punt van de levensheiliging verviel de klem op de traditionele reinigingswetten ter beveiliging en brak iets door van inspiratieve onbevangenheid „in Christus”.
Alleen door deze hogere geestelijkheid en universaliteit heeft het Christendom het Jodendom achter zich gelaten. Schiet het op die punten tekort, dan herneemt het Jodendom zijn rechten als religieuse natie; dan wordt bloed weer sterker dan water en volk weer reëler dan humaniteit en histo-
161