in Jahwe. En deze Doelsteller koesterde voornemens met betrekking tot dit volk Israël, die de hele mensheid omvatten. Men kan het wezen van het Joodse volk niet verstaan zonder er op te letten, dat het naar een bepaald uiteindelijk doel heenleeft. En dit doel bevat een herstel en bekroning van het paradijsideaal, dat van de oudste tijden met de mensheid mee is gegaan. Oertijd en eindtijd reiken elkaar in dit volk de hand en spannen het tussen zich in. De bestemming, die in Israël werd beleefd, zou de voltooiing zijn van het oorspronkelijke mensenbeeld. Bij de Joden is de wereldgeschiedenis als geheel een verloop tussen paradijsvolmaaktheid en uiteindelijke verlossingsvolmaaktheid. A an de oorspronkelijke goede mens via de gevallen tobbende mens naar de nieuwe volmaakte mens. En dan is in de mens de wereld als geheel genomen, de schepping als goddelijke onderneming, waarin niets is uitgezonderd.
Het is de spanning van het messianisme, die een tip oplicht van de sluier, die over het voortduren van dit volk hangt. Een onafgewerkte ontwikkelingsgang houdt iemand vast; hij kan niet opgeven of vergeten wat hij niet heeft afgemaakt. Er zijn voorbeelden, dat iemand in leven bleef totdat een bepaalde zaak was beëindigd of een bepaalde ontmoeting had plaats gehad. Een dergelijk iets ligt ook in het voortbestaan van het Joodse volk. Het bewustzijn, dat aan hem van oeroude tijden door goddelijke bestemming een centrale rol is toebedeeld in de ontwikkeling der mensheid naar haar uiteindelijk doel. en dat deze ontwikkelingsgang nog niet is afgesloten, geeft aan dit volk een verborgen bestaansgrond. Generatie na generatie put kracht uit die grond door voeling te houden met de collectieve grootheid, Israël, de eeuwen door. Geeft de Joodse mens deze grond op. laat hij los, dan gaapt ook voor hem een afgrond, die dieper cn leger is dan voor anderen. Hij geeft daarmee de zin op van zijn leven, en geeft daarmee eigenlijk veel meer op dan zichzelf.
Deze intieme relat ie tot de hogere bestemming van de mensheid als geheel moet men in rekening brengen, als men de levenswil en de eigenheid van de Joodse mens goed wil ver-
159