ter van fanatieke belijdenis van de Overmachtige, die exclusieve aanspraken deed gelden krachtens zijn transcendentie. Het was een dynamische vereenvoudiging en geen logische. Jahwe werd een categorie op zichzelf. En daarmee werd ook zijn „volk” een categorie op zichzelf.
Dit proces was in zekere zin een vergeestelijking, want het trok de over een veelheid van verschijnselen zich verspreidende religieuse aandacht van het polytheisme samen op die éne goddelijke instantie, die door haar manifestaties een critische opmerkzaamheid wekte en tegelijk met het gevoel ook de wil en het bewustzijn spande. Deze vergeestelijking voltrok zich dan ook niet langs de weg van hoger inzicht, maar langs die van geconcentreerde opmerkzaamheid, beleid in het aanpassen aan de goddelijke doelstellingen, en verhoogde daadkracht door discipline en geestdrift. Israels God was de God van het absolute Initiatief en de verbijsterende Potentie, en in dat alles de eerste en laatste Wijsheid, het Beleid.
Het meer primitieve karakter van goddelijke macht, die zich manifesteert, is in dit godsbegrip eigenlijk steeds bewaard gebleven. Ook bij de voortgaande cultuurontwikkeling is het niet prijsgegeven. Hij bleef de levende God, de loutere Actie, de Schepper, de „Heer”, de Koning; de Almacht met alle bewogenheid, die ligt opgesloten in liefde, erbarmen, toorn, wraak, geduld, zorg, mildheid, verontrusting, vreugde, vertedering. Ook bij de hoogste vergeestelijking is hij gebleven het „verterend vuur”, zoals hij het was bij de Sinaï, de Beschikker van het lot, de verkiezende Majesteit, sprekend uit de magie van het woord, dat doodt en levend maakt, nooit uit de koele waarheid, maar uit de brandende of vertroostende waarheid.
Dat deze „God” bij Israël op de plaats zat waar bij andere volkeren de nationale góden zaten, was op zichzelf al een vreemdheid, die ook door Israël zelf niet zonder innerlijke spanning werd verdragen. Maar het was duidelijk dat zijn maat die was van de wereld en niet die van één volk, ja ook hemel en aarde konden hem niet bevatten. De transcendentie ten opzichte van al het bestaande was een wezenstrek
158