heid in zich, en het dient gezegd, dat de theologie zich over het algemeen nog weinig bevredigend met de problemen, die hier oprijzen, heeft ingelaten. Een theologische waardering van de anthropologische en sociologische factoren in de geschiedenis heeft hier nog veel te verwerken.
Het bovengenoemde samengaan van nationale en religieuse elementen in het Joodse volk kan op zichzelf ook nog niet het gewenste licht verschaffen. Want dergelijke nauwe verbinding van natie en religie was in de antieke wereld normaal en volstrekt niet alleen aan Israël eigen. De Joden zijn in onze moderne wereld wel het sprekendste getuigenis daarvan, omdat ze die oude traditionele vormen het langst hebben bewaard, liet Joodse volk voert in zich zelf het oudste verleden mee van alle ons vertrouwde volkeren. Vandaar dat vroegere formaties aan dit volk het duidelijkst zijn af te lezen. Maar tussen die oude volkeren geplaatst, en vergeleken met andere volkeren, die dezelfde nationaal-religieuse opzet vertonen (China of Japan bijv.) blijft Israël van een specifieke structuur.
Het Joodse volk is uitdrukking geworden van een „God”, die verre boven dit nationale substraat uitging. Jahwe was de nationale god van Israël en toch ook niet. Een universele tendens is van het begin af onmiskenbaar; de verkiezing van Abraham had reeds betekenis voor de gehele mensheid. Een verborgen beleid was reeds in die eerste formaties werkzaam met een doel. dat een eindeloos historisch verschiet opende. Jahwe hoorde dus niet in de rij der gewone nationale góden, maar hij stak daarboven uit en werd hoe langer hoe meer de soevereine goddelijke macht boven alle. Hij kreeg een unieke plaats, niet omdat men theoretisch tot monotheistische inzichten was gekomen, maar omdat de gewone analogieën hiervoor ontbraken. De vereenvoudiging van het godsbegrip, die in de lijn van het Jahwisme heeft plaats gevonden, was niet bereikt langs de weg van intellectuele abstractie uit een veelheid lot een hogere eenheid. Het was geen beweging van de veelvormigheid der bovenmenselijke machten naar een geestelijke verstilling van idee; maar de Israëlitische godsopvatting droeg het karak-
157