Minder dan ooit kan men bij een behandeling van het Joodse volk met een beschrijving van de verschijning volstaan. Het dringt tot een diepere beschouwing; men kan niet laten te vragen hoe dat alles in de grond is gelegen en wat de diepste wortelen zijn van die uitzonderlijke manier van existeren. Het doorvragen in die richting wordt in het geval van het Joodse volk door het object zelf bevorderd, want het heeft steeds intens over zichzelf nagedacht. Onze documenten getuigen van een doorlopende reflexie over eigen bestaan en bestaansgrond, een trek in het Joodse bewustzijn, die tot op de huidige dag is gebleven. Niets wordt eenvoudigweg genomen voor hetgeen het is. Altijd wordt gevraagd naar de oorzaak, de oorsprong, de bedoeling, de zin. En het allermeest ten opzichte van het eigen zijn als volk in de wereld, tussen de anderen, in de geschiedenis.
Deze bewerking van het eigen bestaansprobleem is bij de Joden van oudsher meer theologisch geweest dan philoso-phisch. Uitgangspunt en veronderstelling is steeds de specifieke goddelijke openbaring, die aan het Israëlitische volksbestaan het aanzijn heeft gegeven, en die nooit volledig voorwerp van menselijk onderzoek en begrip worden kan. De laatste verklaring van het eigen zijn is bij de Joden dan ook steeds het mysterie van het goddelijk welbehagen. Er is geen algemeen gezichtspunt, waaronder dit op zijn beurt zou kunnen worden begrepen. Het Joodse volk beschouwt zichzelf als uitzonderlijk gegeven; achter dat ..positieve”
153