schap berust; en bovendien is de drang tot vorming van een „geestelijk lichaam” versterkt, dat door belijdenis, ritus en moraal de leden tot een hecht geheel aaneenbindt. Natuurlijke drift en rationele doelstelling werken hier hand in hand, zoals dat bij de Joden menigmaal het geval is. De scherpe bejegening van afvalligen duidt er op, dat men juist die moreel-geestelijke trouw aan een natuurlijke gemeenschap doorslaggevend vindt.
In het Joodse beginsel van uitsluitende gebondenheid aan zijn goddelijke partner ligt opgesloten de drang naar vrijheid ten aanzien van alles wat op aarde die vrijheid zou kunnen knotten. Alle dingen zijn uit de daemonie losgemaakt en daarmee uit de gevoelsbindingen, die de mens verlammen of knechten. De affiniteit tot de democratische gedachte is hierin gegrond. De Joodse ethiek heeft als geheel een sterke inslag van verantwoordelijkheid voor de toestand waarin de medemens verkeert, en dus voor de verhoudingen, die een bepaalde ongewenste toestand bestendigen of kunnen verbeteren. De ander is op zijn plaats hetzelfde wat ik ben op mijn plaats en hij doet de rechten gelden, die aan de mens als zodanig toekomen. De drijfveren achter de Joodse ethiek der naastenliefde en der sociale gerechtigheid zijn het aspect voor de mens als zodanig, de partner van de Allerhoogste en de afschuw om die mens, in wie dan ook, gedenatureerd te zien. Als hoogste idee, die haar aandrijvende kracht doet gevoelen, kent het Jodendom die hogere vorm van leven als heilige gemeenschap, die in de oudtestamentische verwachting van het „rijk Gods”, de „malkoet Jahwe”, ligt opgesloten.
Men wijst verder op de sensuele trek van de Joodse mens, zijn zucht naar genot, naar verfijning in kleding en inrichting, zijn snoeplust en andere tekenen van genotzucht; op zijn sterk zinnelijke erotiek. Ongetwijfeld heeft de Jood die gretigheid in het zintuigelijk beleven van de buitenwereld, die bij een dergelijke levenslust past. Hij is niet de mens voor ascese; wanneer die in het Joodse leven voorkomt, is het meer uit tijdelijke concentratie op een bepaalde taak, uit discipline ter verkrijging van een verhoogde intensiteit
148