in alle landen toch Joden te blijven, het eigen collectieve „ik” te behouden, omdat daarachter een soms bewust gehandhaafde, soms ternauwernood vermoede trouw aan het metaphysische beginsel stak, waarop ze waren gefundeerd en waarin hun zin en bestemming lag.
Wat achter die emotionele beleving steekt is dus in laatste instantie de permanente gevoeligheid voor hogere bestemming en de zorg om toch niets te doen of te laten, dat deze in gevaar kon brengen. De existentiële angst om zichzelf te verliezen, nadat dit „zelf” in de traditie zo van boven af was bepaald. Men zou bijna zeggen, dat voor een dergelijke existentie de onbezorgde rust nooit kan zijn weggelegd, dan alleen in eschatologisch perspectief en in een incidenteel wonder van goedheid.
Het Joodse temperament brengt een zeker pathos met zich mee. Zelden zal iets minder opgemerkt voorbijgaan dan het verdient en doorgaans zullen de accenten tamelijk sterk worden aangebracht.
Dit pathos uit zich in het zelfgevoel van het Joodse volk, dat van zijn eerste ontstaan af tot nu toe heeft volgehouden, dat het iets zeer bijzonders is en dat tegen elke kleinering of veronachtzaming heftig reageert. Dit pathos verhindert de bescheiden teruggetrokken levensvorm en verleent aan de aanspraken een aplomb, dat alle andere overwegingen een ogenblik het zwijgen oplegt. Dan bestaat er ook niets anders ter wereld, dan alleen de vraag hoe de Joodse zaak wordt gediend. In dat pathos schuilt een rest van naief egocentrisch gevoelsleven, waardoor ook kinderen kunnen dwingen om uitsluitend aandacht aan hen te besteden, maar daardoorheen bevat het een element van zeer rijpe visie of misschien vooral intuitie voor wat bovenal ter zake doet. Ook in kleine dingen beleeft de Jood de vraag van zijn of niet-zijn. Heil en onheil krijgen een zeer volle maat. Het genot is intens en de angst is intens en de vloeken zijn heftig en de zegen is machtig. God is oneindig groot, de distantie is niet te meten, maar zijn liefde en erbarmen zijn het niet minder en de goddelijke toorn doet in verterende woede
142