nature gaat zijn aandacht daarheen uit, hij is er in thuis, het maakt hem actief en prikkelt zijn initiatief.
De mimiek van het Joodse gezicht is ongewoon levendig en wijst er op, dat er een voortdurend rapport bestaat met de verschijningswereld buiten hem. De indrukken worden scherp geregistreerd en onmiddellijk weergegeven. De gevoelsspiegel werkt snel.
Een dergelijke emotionele trekt loopt ook door het Joodse denken, dat op fijne en fijnste nuances is ingesteld en met een zeker genot wordt toegepast op problemen, die een vlugge en gemakkelijk reagerende geest vereisen. Eigenlijk wordt dat het geval met alle problemen, die Joden in handen nemen. Want de emotionaliteit zit niet in het probleem als zodanig, maar in de Joodse aanpak en verwerking. Zijn intelligentie heeft die trek van snel schietend vernuft, bewogen interesse, en alzijdige waakzaamheid.
Van het Joodse handelen kan hetzelfde gezegd worden. Of het voorzichtig is of fors doortastend, steeds voelt de handelende intens mee met de beweging die hij maakt en blijft hij opletten of een kleine wijziging van koers of tempo of aanpassing het beoogde resultaat beter zou kunnen dienen. De emotionaliteit van het Joodse wezen heeft echter nog verdere betekenis. Het is een verhoogd beleven van de invloeden, die op de mens afkomen en van de situatie waarin de mens zelf temidden daarvan verkeert. Want de vraag van de persoonlijke existentie is er doorgaans mee verbonden en de waakzaamheid der zinnen, hun lichte aanspreekbaarheid, is eigenlijk tegelijkertijd een waakzaamheid van de individuele persoonlijkheid temidden van de inwerkingen die hij in het leven ondergaat.
De Joodse mens is licht bewogen, het is waar, maar tegelijk zeer op zijn hoede. Zelfs met de uitbundigheid verbindt hij een zekere terughouding. Zijn nervositeit komt niet alleen voort uit zijn lichte gevoeligheid voor indrukken, maar veelmeer uit de spanning, die de hogere psychische instantie, het „ik”, in het geheel van de levensvorm brengt. De Jood is de mens, die niet wil meegenomen worden door de dingen, die hij ontmoet, ook al raken ze hem op een levende manier,
140