In alle beschouwingen over het Joodse karakter wordt gewezen op het nerveuse temperament, dat aan de Joden over het algemeen eigen is.
Wij spraken reeds over die grote gevoeligheid, die spreekt uit de Joodse physiognomie, en die er op wijst, dat de buitenwereld bijzonder sterk op hen inwerkt. Zelden is er een volk geweest, dat zo met zijn opperhuid onmiddellijk reageerde op alles wat van buiten tot hem komt. De zintuigen zijn in staat van voortdurende waakzaamheid en bezigheid en door die sensuele gevoeligheid heen spreekt de psychische. Zelfs het meest intellectuele werk wordt met hoge emotionaliteit gedaan. Bewegelijk, diligent, wakker en direct reagibel, is de Jood ook voorbeschikt om de verschillende gebeurlijkheden en invloeden van het leven alle vrij sterk te ondergaan; hij kan weinig eenvoudig buiten zich zetten en er zich niets van aantrekken. De extraversie van zijn natuur brengt dat met zich mee. De Jood is over het algemeen licht geroerd en bewogen.
Dat dit samenhangt met de bedreigde positie, waarin het Joodse volk eeuwen achtereen heeft verkeerd, zodat hier een gevoel van oppassen, op zijn qui vive zijn, en een onmiddellijk op het minste of geringste reageren uit langdurige waakzaamheid verklaard zou moeten worden, is zeer goed mogelijk. Toch zal ook de oorspronkelijke Semitische aard wel een woordje meespreken, waarin het temperament eveneens grote emotionaliteit vertoont. Want een dergelijke geschiedenis zou ook een zekere afstomping ten gevolge kunnen hebben met verminderde contact gevoeligheid naar buiten en een doffe berusting naar binnen. Dit is bij de Joden allerminst het geval geweest. Hoeveel hun ook is aangedaan en hoe onafgebroken de bedreiging ook op hen loert, de reagibiliteit blijft over het geheel intact en zelfs in spanning. liet is ongetwijfeld een uiterst gespannen psyche, die we bij de Joden vinden, en van een spanning, die dadelijk aan de buitenkant te merken is en ook aan de buitenkant zit. De verschijningswereld boeit de Jood uitermate; dat is altijd zo geweest en zal waarschijnlijk altijd zo blijven. Yan
159