in staat de Joden voorzichtig te maken, maar niet hen te imponeren. Hun eigen positie als gedulde, maar onvolwaardige groep in de samenleving deed hen menige ervaring rijker worden, die naar binnen in versteviging van de onderlinge band en de traditionele levensbasis en naar buiten in voorzichtig aftasten van de situatie naar nieuwe kansen doorwerkte. Onder de druk van die smadelijke afzondering is de intensiteit van het Joodse karakter toegenomen; alles zit er dicht opeen, de gevoelens van wantrouwen en haat en die van hoop en uitzicht, de angstvallige welsgcfrouw-heid en de vrije extase over de goddelijke gunst die hun licht was, de enge benepenheid der verhoudingen waarin men zich moest schikken en de onuitputtelijke diepte en wijdheid van het innerlijk bezit, de ijzeren keten der omstandigheden en de permanente verwachting van het wonder. De compactheid, waarin deze momenten, die uit de oude traditie zijn meegekomen, in het Joodse karakter opeen liggen, zo vast door elkaar gestrengeld dat niemand ze ontrafelen kan of hij verstoort het hele wezen, moet stellig grotendeels aan die middeleeuwse beleving te danken zijn. Een kern van ongerijmde vrijheid in een schaal van ongerijmde onvrijheid. Maar daardoor ook onvrij in de critische bewerking van eigen bestaansvormen.
Dat ten slotte de laatste periode van de emancipatie op het Joodse wezen een stempel gezet heeft, dat men bij de beoordeling van elke individuele Jood in rekening moet brengen, behoeft geen betoog. Er zijn al enige eeuwen overheen gegaan sedert het ghetto zich begon te openen: maar de verbazing over wat daarbuiten in de vrije wereld te genieten en te verwerven valt is bij de Joden nog lang niet voorbij. De ongelijksoortigheid in het lot der verschillende Joodse kringen is ook bijzonder groot. Terwijl er zijn, die reeds vele generaties lang de vruchten van de moderne cultuur hebben genoten en onder de eerste gegadigden hoorden, wellicht al sporen van decadentie in hun jongere gelederen vertonen, is voor anderen de muur pas gevallen en lokt de buitenwereld hen door de bres met onweerstaanbare kracht naar al die dingen, die vroeger verboden waren. Als geheel ge-
137