reserves in het oosten van Europa tot voor de oorlog hun levenspotentie onverzwakt bewaard en de afbrokkeling bijvoorbeeld in Berlijn door geregelde nieuwe toevoer kunnen opvangen, en verder blijkt over het algemeen het vermogen om zich in nieuwe omstandigheden aan te passen en uit niets een nieuwe existentie te kunnen ophouwen, zowel onder Joodse jeugd als onder ouderen, verwonderlijk groot. Een uitstervingsproces valt niet te constateren; zelfs is het de vraag of niet het tegenwoordige Jodendom, na verlies van een derde van zijn aantal, met verhoogde energie zal weten aan te pakken om de gelederen aan te vullen en de culturele prestaties op peil te houden. liet ligt in elk geval wel in de lijn van zijn geschiedenis en in de aard van zijn vermogen om slagen te incasseren zonder ooit verslagen te worden. Zelfs temidden van de hevigste nationaal-socialistische vervolgingen konden zij met een zekere meewarigheid die Duitse overmoed belachen, die meende een volk van zulk een diepe historische worsteling, zulk ecu taaie aardebe-woner, te kunnen uitroeien. Tegenover die hoogheid van wezen kwam inderdaad de barbarij der anderen wel heel grillig uit.
Deze trek moet dunkt mij in rekening worden gebracht bij alles wat men van de Joden waarneemt. Wie het vergeet loopt gevaar bepaalde symptomen verkeerd te duiden. Steeds moet men die spanning van levensverjonging in een oud wezen in het oog houden.
Daarnaast geldt een tweede merkwaardigheid: het culturele niveau waarop het Joodse volk zich de vele eeuwen door bewogen heeft en dat als in zijn bloed en geest heeft post gevat. De meest krasse pauper van Joodse afkomst draagt de sporen van iemand, die niet pas begint, maar die op een bepaalde manier boven de situatie staat, flij is geen natuurproduct, maar een geestesproduct met een graad van differentiatie, die men niet overal aantreft. Men merkt aan hem dat zijn Collectivum, waarvan hij dan een bescheiden of gederailleerd deel moge zijn, reeds sedert lang is ontwaakt geweest, en dat de klaarheid van beheersing der levensgegevens en der innerlijke distantie als een oud be-
133