bewogen en hun deel aan de publieke zaak begonnen bij te dragen.
Het eigenaardige in deze nieuwe situatie was echter, dat de Joden hun vrijheid dankten aan een principe, dat zijzelf niet erkenden, of tenminste niet zonder een zekere restrictie erkenden. Het lag niet in de Joodse opzet om alle mensen over één kam te scheren en te nivelleren. Evenmin als in het Hellenistische tijdperk, de vorige grote kans voor de Joden om zich in het grote geheel der mensheid te laten opgaan, konden ze nu afstand doen van de particularistische trek, die wezenlijk tot hun structuur als Jodendom behoorde. Natuurlijke rechten zijn niet de basis, waarop het Joodse volksprincipe is gebouwd; het steunt op bovennatuurlijke rechten, die niet aan ieder toekomen. De idee der uitverkiezing stond daaraan in de weg. Ze hebben dit bovennatuurlijk openbaringsprincipe ook niet laten varen, tenminste niet als geheel, als Jodendom. Wel hebben vele Joden deze nieuwe gedachtenwereld in zich opgenomen en evenals vroeger door de Griekse philosophie zich nu door de philo-sophie der Verlichting laten beïnvloeden. Lessing had zo zijn goede vriend in Moses Mendelssohn, die hem als model diende bij de conceptie van „Nathan der Weise”. Maar juist in deze Moses Mendelssohn kan men zien, hoe moeilijk het een Jood viel om zonder reserve uit die nieuwe bron te putten. De idee der natuurlijke religie vond bij hem toch een tegenwicht in een bovennatuurlijk openbaringsprincipe, waardoor eerst de positieve religies verklaarbaar werden. Hoe vreemd het ook zijn moge, het Jodendom stond op dit punt in wezen dichter bij het officiële Christendom, het traditionele Christendom, dan bij de opkomende natuurlijke religie en natuurlijke mensbeschouwing. Weliswaar voer deze voorlopig nog onder Christelijke vlag, maar het Christendom, dat hierin beleden werd, was meer het Grieks georiënteerde dan het Joods georienteerde.
Inderdaad was de nauwe band tussen Christendom en Jodendom, die in de middeleeuwen zo vol antithetische spanning was geweest, niet meer zo duidelijk in de nieuwe tijd, omdat men er aan ging twijfelen of het humanistische begin-
110