practisch maatschappeijke relatie onderhoudt met „anderen”. Deze laatste relaties krijgen dan vanzelf enigszins het karakter van profijt in zaken, zonder nadere organische opname in het algemene bestaan.
De interne ontwikkeling van het Jodendom in deze eeuwen kenmerkte zich door grote scherpzinnigheid in het uitwerken en toepassen van de voorschriften der Tora voor de wisselende omstandigheden. De formele begaafdheid van de Joden en hun zin voor onderscheidingen brachten hen tot de meest minutieuse nauwkeurigheid. Alles werd hierbij bepaald door de behoefte om het Joodse leven binnen eigen muren stipt wetsgetrouw te doen voortgaan en aan de traditie geen afbreuk te doen.
Daarnaast heeft zich het Joodse geestesleven beziggehouden met twee onderwerpen, die in oorsprong meer buiten de eigen traditie lagen. Het eerste is de Griekse philosophie. Speciaal in Spanje hebben de Joodse denkers door hun aanraking met de Arabische literatuur kennis gemaakt met de volledige vertalingen van Aristoteles en ze hebben deze in de verdere Europese wereld doorgegeven.
Het tweede onderwerp is de gnostische speculatie. In de dertiende eeuw heeft Isaak de Blinde de leer der Kabbala gefundeerd en deze is door zijn leerlingen uitgewerkt tot de ingewikkelde systemen van de Sohar, het hoogtepunt van de Joodse theosophie. Hierbij werd voortgebouwd op het boek Jezira uit de achtste eeuw, dat de Alexandrijnse gedachte voortzette en het beginsel van emanatie verbond met dat van schepping uit openbaringswil. De kabbalistische „sephiroth” corresponderen enigszins met de „dunameis” van Philo, tussenwezens tussen de verborgen volstrekt geestelijke éne God en de cosmos in zijn veelvormigheid. De Sohar heeft de vorm van een theosophische commentaar op de Pentateuch, in losse samenhang.
Deze beide richtingen zijn nogal uiteenlopend en min of meer eikaars tegendeel. Ze verraden beide een hoge graad van intellectualiteit, het een in de richting van abstractie en formele beheersing van de stof, het ander in die van mysti-
106