bleven ze echter Jood, dan waren ze ook tevens tweede klasse burgers.
Het Christelijk karakter van het gehele Europese leven kwam namelijk te duidelijk in het openbare bestaan tot uiting; de zondagviering, de feest- en vastendagen, de kerkgang met het gebruik der sacramenten, kortom het hele cultische en rituële leven, dat op de maatschappij zijn stempel drukte, was van ongetwijfeld Christelijk gehalte cn wie er niet aan meedeed viel onmiddellijk op. Hij was een zwart schaap in de kooi. De Jood die zijn sabbat hield, zijn eigen feest- en vastendagen op andere tijden naar een eigen kalender, zijn eigen synagoge bezocht en daar aan vreemde heilige handelingen deelnam, zijn zonen niet liet dopen maar besnijden, spijswetten in acht nam die men niet verstond, die Jood was een vreemdeling met een geheimzinnige onbegrepen sfeer om zich heen, met een andere ziel dan de gewone middeleeuwse mens. De beschuldigingen van hostie-schennis, rituële moord, verraden die mengeling van ergernis en achterdocht bij een tamelijk simpele bevolking tegenover een groep mensen, die men niet doorziet cn waarvan men alleen weet, dat ze het eigen bestaan principieel veroordelen. Men voelde zich in zijn heiligste goederen, zijn kleinood, aangetast door hun Christuslochening. Vooral de realistische symboliek van de middeleeuwen, met die teugelloze verbeelding van het heilige, die Huizinga beschreven heeft, kon het niet laten in de Jood het symbool te zien van de geestelijke vijand, de boze, de schenner van het goddelijke op aarde, de duistere tegenhanger van de mens die gelooft. Voorchristelijk gebleven uit hardnekkigheid en onwil om de genade over zich te laten komen! Op die onzichtbare scheidsmuur stuitten de Joden in alle landen, ook al was de toestand niet in alle dezelfde. Hun leven kwam niet aan de buitenlucht, ze werden nooit „gelucht” en hadden weinig uitwisseling met hun omgeving. Een eigenaardig sociologisch geval, dat de innerlijke samenhang en exclusieve eenheid van het leven van een gemeenschap demonstreert, die georganiseerd is om het eigen centrum van cultus en ritus en daarbuiten slechts met tegenzin de hoognodig
105