Jodendom. De Joden waren hier inderdaad vreemdelingen, zowel wat afkomst als wat geest betreft, en wel vreemdelingen, die, dwars door de landsgrenzen en de gemeenschap der kleinere territoriën heen, overal als zodanig werden gevoeld, een samenhangende volkseenheid, niet geworteld in de dorpen en steden waar ze woonden, bijwonend, afgezonderd. Uitdrukking van die toestand was het feit dat de Joden aan de plaatselijke rechtsregels waren onttrokken en onmiddellijk onder het hoogste staatsgezag stonden, een toestand die door Karei de Grote was in het leven geroepen. Soms, vooral in het begin, leverde deze uitzonderingspositie voordelen op, vrijdom van belasting, e.d., maar op den duur werkte het de willekeur in de hand, daar het absolutisme van de vorst de Joden kon gebruiken en misbruiken naar zijn wil. De algemene basis voor de behandeling der Joden was voor het gebied der Christelijke kerk aangegeven door Gregorius I omstreeks 600: de enige vorm, waaronder ze volledig burgerrecht konden verkrijgen, was bekering tot het Christelijk geloof, maar deze mocht niet met geweld worden afgedwongen, alleen door overreding en het vooruitzicht van materiële voordelen worden bevorderd. Bleven ze Jood, dan waarborgde de paus hun geloofsvrijheid en zekerheid van leven, eigendom en recht, zoals de „schutsbrieven” der latere pausen aantonen. Het opperste kerkelijke en wereldlijke gezag beide namen dus de Joden rechtstreeks onder hun hoede, met de gevolgen van dien: relatieve zekerheid en onzekerheid. In elk geval was hun positie duidelijk die van een uit-zonderingsvolk, in een ghetto bijeenwonend, een eigenaardige formatie zonder parallel, uiterlijk kenbaar, maar innerlijk onbekend en zelfs mysterieus, daar van hun onderlinge gebruiken, hun cultus en moraal slechts weinig doordrong tot de buitenwereld.
Die uitzonderingspositie heeft ook hun plaats in het economische leven bepaald. Wat practische intelligentie betreft en kennis van de mogelijkheden, die het cultuurleven biedt, waren ze eerder de meerderen dan de minderen van hun middeleeuwse tijdgenoten. Zij hadden een eeuwenlange ervaring achter zich van antiek cultuurleven en waren in dat
100