rijk van gelding geworden. „Ereposities behoren ze in de staat niet te genieten; hun lot zij die mindere stand, waarin zij hun zielen wensen te bewaren”, schreef Justinianus. Onbekeerlijkheid werd in de gekerstende wereld meer en meer een grond voor terugzetting en declassering, sterker nog dan in de Hellenistische wereld, omdat het Christendom in zichzelf de vervulling van het Jodendom meende te zijn.
Daar waar de Christelijke cultuur haar gesloten karakter het sterkst heeft ontwikkeld, in het door Rome geleide katholicisme van het middeleeuwse Europa, was de bestaansgrond voor de Joden ook het wankelst. Het is merkwaardig dat de jonge Germaanse volkeren, die na de volksverhuizing hun nieuwe rijken in Europa stichtten, tegenover de Joden, die ze als Romeinse burgers overal aantroffen, tamelijk mild stonden, zolang ze zelf tot de Ariaanse confessie behoorden, maar onverdraagzamer werden na hun overgang tot het Rooms-katholieke Christendom. Het is niet onmogelijk dat dit laatste met de Rooms-katholieke Christusopvatting, met de verering van Christus als de vleesgeworden goddelijke substantie, samenhing. Deze opvatting zag in het Jodendom een gevaarlijker tegenstander dan de Ariaanse mentaliteit, die in Christus eerde de mens, die drager was van het goddelijk wezen. De Rooms-katholieke kerk had voor Athanasius gekozen en daarmee tevens een grondslag verkregen voor haar beeldendevotie, die zij tegen fanatieke tegenstand in had moeten doorzetten; bij haar expansie over de nieuwe Europese volkeren ontmoette zij toen nog eens weer die afkeer van het (Semitische) oosten voor de cultus ener godmenselijke substantie, die in de Christologische strijd van de vierde en vijfde eeuw reeds was gebleken, en waaraan zij minder dan ooit voet kon geven, naarmate het sacrament des altaars de realiteit der godmenselijke substantie tot centrum van het ganse symbolisch-realistische levensbesef der middeleeuwse mensheid maakte. De Joden incorporeerden het oude verzet tegen deze ontwikkeling met hun fanatieke verdediging van het volstrekt bovenwereldlijke wezen Gods, die hoogstens een incidentele inwoning in een schepsel erkennen kon op
98