vantie gelegen is, zijn manier om eigen vrijheid van wezen te bewaren en de volheid van de schepping als aangeboden en toegewezen te gebruiken.
Deze overwegingen zijn noodzakelijk om de Joodse situatie in de eeuwen rondom het begin onzer jaartelling te begrijpen. De straffe organisatie van de Joodse gemeenschap, als consensus op de grondslag van belijdenis en leefregel, diende er toe om het erfgoed van de positieve levenshouding onverkort te bewaren en aan de Joodse mens in de eerste plaats, maar daarbij aansluitend aan de mens in het algemeen, de ware vrijheid te verzekeren, zijn levensgebruik te wettigen, in afwachting van de uiteindelijke openbaring der „kinderen Gods". De Joden voelden zich aangewezen om te waken bij die hoge bestemming van al het bestaande, dat het ter verheerlijking Gods in zalige transfiguratie zou openbloeien in het laatste der dagen. Wachters bij de belofte over de hele schepping, in een wereld die moeite had om de spanningen tussen goed en kwaad, licht en donker, geest en stof, eenheid en veelheid, bestendigheid en wisseling, te verdragen, daartoe geroepen te zijn krachtens de voorvaderlijke traditie, dat gaf aan de Joden van die tijd het zelfbewustzijn en de ijver om hun erfgoed voor niets ter wereld in te ruilen. Het was een koppigheid, die de keerzijde was van een bijna overmatige verantwoordelijkheid voor de voortzetting dier heilige traditie.
3. De Middeleeuwen
Dat het Christendom heersende godsdienst werd is op de situatie van de Joden van grote invloed geweest. Wettelijk veranderde er onder Constantijn en zijn opvolgers niet direct iets aan hun positie; het Jodendom bleef religio licita, de Joodse cultus bleef beschermd. Maar langzamerhand werd door de besluiten der kerkelijke concilies een practi-sche scheiding tussen Christenen en Joden in de hand gewerkt. Er kwamen uitzonderingswetten, die de Joden tot burgers tweede klasse stempelden, later door de wetsver-zamelingen van Theodosius II en Justinianus voor het gehele
97