Vleesch, dat niet geslacht is door de Sochetim en Bodekim (slachters) door den Mahamad aangesteld, zal als Nebela en Terepha (onrein) beschouwd en niet gegeten mogen worden ; ook mag niemand -vleesch koopen buiten de vleeschhal der gemeente; hij, die zelf voor eigen rekening oen os of schaap wil laten slachten, zal daartoe van den Mahamad verlof kunnen krijgen.
Art. 36.
Niemand zal rookvleesoh of kaas mogen verkoopon zonder toestemming van den Mahamad, op straffe van verbeurdverklaring dier goederen ten bate der Sedaca.
Art. 37.
° Geen Jood mag binnen deze stad boeken in eene vreemde of in de Hebreeuwsche taal laten drukken zonder verlof van den Mahamad, op straffe van verbeurdverklaring der boeken ten bate der Sedaca.
Art. 38.
Niemand zal in zaken van Godsdienst mot Goim (niet-Israelioten) mogen redeneeren of twisten met het doel hen tot onzen godsdienst over te halen; evenmin hun smaadredenen tegen hunnen Godsdienst toevoegen, en zulks op boete van ƒ20. —
Art. 39.
Niemand zal zonder verlof van den Mahamad een persoon, die niet tot de Hebreeuwsche natie behoort, mogen besnijden, of geheim houden, dat een ander zulks doet, op straffe van Herem. Ook mag de Mahamad geene toestemming geven tot het besnijden van anderen dan Portugeesche of Spaanscho Joden_
Art. 40.
Op straffe van Herem zal niemand anders dan de Mahamad of zijne gemachtigden mot personen buiten de gemeente over hare belangen mogen onderhandelen.
Art. 41.
Niet-Israelietiseho dienstmaagden mogen geen vleesch of geslachte vogels uit de hal halen, tenzij begeleid van iemand van den Joodschen godsdienst.