— 154 —
schijnbaar juist elkander tegensprekende Evangelieën, te gronde legt. Marx wijst erop, dat voor de praktische franschen het principe der gelijkheid juist hetzelfde is, als voor de teoretische duitschers, het principe van het zelfbewustzijn. Zooals in Duitsch-land de destruktieve critiek, voordat zij met Feuerbach van de beschouwing der werkelijkheid uitgegaan was, al het bepaalde en bestaande door het principe van het zelfbewustzijn trachtte op te lossen, heeft de destruktieve critiek m Frankrijk door het principe der gelijkheid, hetzelfde trachten te bereiken..
En zooals Bruno Bauer de theologie critiesch oplostte, maar steeds principieel van de theologie uit, zoo doet Proudhon het met de nationaal-economie, principieel van de nationaal-eco-nomie uit. Maar de groote vooruitgang door Proudhon bereikt, is volgens Marx deze, dat hij den privaat-eigendom, de grondvoorwaarde van de Staathuishoudkunde, welke hare vertegenwoordigers als een onomstootelijk, niet verder uiteen te zetten feit behandelen, aan het eerste en tevens beslissende en tegelijkertijd, wetenschappelijke onderzoek heeft onderworpen.
Marx betoogt verder tegenover Bauer — die de eenzijdigheid van Proudhon veroordeelde, waar hij zijne wapens ontleende aan de feiten van de ellende en de armoede en deze feiten als absoluut gerechtigd en den rijkdom als een absoluut ongerechtigd feit aanneemt — dat de voorwaarde tot het bestaan van het geheel, de erkenning moet zijn van den aard der beide zijden, dat proletariaat en rijkdom tegenstellingen zijn. Als zoodanig vormen zij één geheel. Zij zijn beiden gestaltenissen van den privateneigendom. Het is echter hier niet genoeg, ze voor twee zijden van een gehéél te verklaren, maar het gaat hier om de bepaalde positie, welke beiden in die tegenstelling innemen : „Den privaateigendom als rijkdom, is ertoe gedwongen, zich-zelf en daarmede zijne tegenstelling, het proletariaat in stand te houden. Het is de positieve kant van de tegenstelling, het inzich-zelf bevredigde privaat-bezit. Het proletariaat omgekeerd, als proletariaat is gedwongen zich-zelf en daarmede zijne noodzakelijke tegenstelling, — die het tot proletariaat doet worden, — het privaatbezit dus op te heffen. Dit is de negatieve kant van de tegenstelling; zijn onrust in zich-zelf, het opgeloste en zich-oplossende privaatbezit. In den boezem dier tegenstelling, is den privaat-bezitter al dus de conservatieve, de proletariër de destruktieve partij. Van gene gaat de aktie uit tot het instandhouden, van deze de aktie tot de vernietiging der tegenstelling. Het privaat-eigendom drijft zeer zeker zich-zelf, in zijne economische beweging voort naar zijne eigene oplossing, maar slechts door van hem onafhanke-