— 113 —
1.Het hoofdgebrek van alle tot nu toe bestaan hebbend Materialisme — dat van L. Feuerbach niet uitgezonderd — was, dat het objekt, de werkelijkheid, de zinnelijkheid, slechts onder den vorm van het objekt of der aanschouwing werd opgevat; niet echter als menschelijke, zinnelijke werkzaamheid, praktijk, niet subjektief. Daarvandaan kon het geschieden, dat de werkzame zijde, in tegenstelling tot het materialisme, door het Idealisme ontwikkeld werd — maar alleen abstrakt, daar het Idealisme natuurlijk de werkelijke, zinrijke werkzaamheid, als zoodanig, niet kent. Feuerbach wil zinnelijke, van de gedachtenobjekten werkelijk-verschillende objekten; maar hij vat de menschelijke werkzaamheid zelf, niet op als objektieve werkzaamheid. Hij beschouwt daarom in het „Wesen des Christenthums” slechts de theoretische verhouding als het echt menschelijke, terwijl de praktijk slechts in haren smerig-joodschen verschijningsvorm opgevat en gefixeerd kan worden. Hij begrijpt daarvandaan niet de beteekenis van de „revolutionaire”, van de praktisch-critische werkzaamheid.
2.De kwestie, of het menschelijk denken de objektieve waarheid bijgebracht kan worden, is geen kwestie van theorie, maar een kwestie van praktijk. In de praktijk moet de mensch de waarheid, d. w. z. de werkelijkheid en de macht, de dezerzijdschheid van zijn denken, bewijzen. De strijd over de werkelijkheid en de niet-werkelijkheid van het denken, dat zich van de praktijk isoleert, is een van zuiver scholastischen aard.
3.
De Materialistische theorie, dat de menschen produkten zijn van omstandigheden en van opvoeding, veranderde menschen dus, produkten van andere omstandigheden en veranderde opvoeding zijn, vergeet, dat de omstandigheden zelf door de menschen veranderd worden en dat de opvoeders, zelf moeten worden opgevoed. Zij komt daarom met noodwendigheid ertoe, de samenleving in twee deelen te splitsen, waarvan het eene boven het andere verheven is. (Bijv. bij Robert Owen.)
Het tezamenvallen van het veranderen der omstandigheden en der menschelijke werkzaamheid, kan slechts als revolutionaire praktijk, opgevat en rationeel worden begrepen.
8