De Joden namen de uitdaging van het scheidende Engelse leger in Jeruzalem zeer ernstig. Voortaan moest er rekening mee gehouden worden dat de En-gelsen volledig de zijde der Arabieren hadden gekozen, alle betuigingen van neutraliteit in Londen en Lake Success ten spijt.
Inderdaad maakte de Engelse commandant in Palestina niet lang daarna bekend dat hij niet bij machte was het doordringen van Arabische vrijwilligers in de Oostelijke driehoek gevormd door de plaatsen Nablus—Jenin—Tulkarem te verhinderen en dat in dit district (het district Samaria) het feitelijke bestuur in handen der Arabieren was. Dat dit vrijwillig afstand doen van autoriteit wel enigermate in tegenspraak was met de wijze waarop de Engelsen hun gezag in het Joodse gebied (bijvoorbeeld ten aanzien van de „illegale immigratie”) handhaafden, kon door geen neutraal waarnemer over het hoofd worden gezien.
Dus maakte de Arabische rebellenleider aanstalten voor een groot offensief om het Joodse gebied in stukken te snijden en daarna de afzonderlijke gebieden te bezetten.
Afgezien van plaatselijke vergeldingsacties, was de Haganah nog steeds in ’t defensief. De mobilisatie van de groepen van 17-25 jaar was inmiddels voltooid en de verdediging werd met meer kracht dan ooit tevoren voorbereid. De Joodse leiding bleef echter vertrouwen hebben in de internationale organisatie die besloten had tot oprichting van een Joodse Staat op 15 Mei, al waren de besprekingen in de Veiligheidsraad niet zo dat van actie kon worden gesproken. De Engelse regering had verklaard, het mandaat neer
141