Mijn nieuwe vrienden waren aanvankelijk wat terughoudend. Later heb ik dat begrepen. Zij zijn „moe van bezoek”. Voortdurend komen journalisten en andere „belangstellenden” en lopen in hun nederzettingen rond — ondervragen mannen, vrouwen en kinderen en schrijven boeken over het wonderlijke nieuwe leven. De „kiboetsnikken” vinden dat zij ’t recht hebben om te leven zoals zij willen. Aan ’n discussie daarover hebben zij geen behoefte en zelf hebben zij allang gekozen voor hun nieuwe maatschappij. Zij zijn ook vaak teleurgesteld over de wijze waarop over hun kolonies wordt geschreven en Koestier, de bekende schrijver van ’t boek: „Dieven in de nacht”, werd „bij verstek” zwaar veroordeeld door de leden van de soort nederzetting die hij beschrijft. De mensen van de collectieve nederzettingen - de kewoethsoth - zijn geen wonderkinderen, noch voelen zij zich of voelden zich hun voorgangers als Columbus op weg naar de nieuwe wereld.
Al lijkt het dat men uit ideologische overwegingen heeft besloten tot deze nieuwe manier van leven, het staat vast dat zij er uit economische noodzaak toe gekomen zijn. De voorwaarden waarop de immigranten aan het begin dezer eeuw moesten werken waren te hard om het vol te houden. Het idealisme waarmede zij naar Palestina waren gekomen werd gedood door de zware eisen die aan hun uithoudingsvermogen werden gesteld — door de behandeling van de rentmeesters der grote philantropen die de' kolonisatie op stoot brachten en door de bejegening van de zijde der eerste kolonisten die al „hereboeren” geworden waren.
Zij drongen er bij de nationale instituten op aan
125