scher naam kunnen bedenken — niet alleen voor deze nederzetting — maar voor het gehele werk van de opbouw waar een volk zijn huis bouwt in de woestijn.
Het is op grond van deze ervaringen ook die van de nederzettingen in Gallilea, op de bergen waar jonge mensen letterlijk met hun handen de aarde de berg hebben opgedragen en terrassen aangelegd waar niets dan kale rots was, dat Lowdermilk zijn Amerikaanse landgenoten wijst op dit voorbeeld van een volk dat uit eigen kracht en liefde tot de bodem in staat is om rijkdom en zegen aan de aarde te ontrukken. Niet alleen materiële rijkdom - de kolonisten zijn met weinig tevreden — maar de zegen van het herstel van de band tussen de mens en de natuur — het herstel van de samenwerking met de medemens in een liefde en waardering voor elkaar en voor het werk en voor het land die tot unieke resultaten leiden kan. Maar daar boven uit de rust in het hart van de mens — de tevredenheid dat de jacht voorbij is, de jacht naar de wind — en dat de tevredenheid terugkeert waarmee de eerste mens zijn conclusie over de aarde en de wereld aan Gods conclusie gelijk maakte: „en zie het was zeer goed ....”
Lowdermilk besluit: „Wat in Palestina gedaan is, wijst er op hoe ook de mensen in andere landen, veiligheid en culturele voldoening kunnen vinden door een gezamenlijk en wetenschappelijk aanpakken van de problemen van de landbouw.
Vanuit Palestina komt opnieuw de idee van een betere levenswijze voor de bewerkers van de bodem en het begrip van een nieuwe bewustmaking van de zedelijke plicht die de mens heeft tegenover de aarde die hen voedt, die naar hun liefdevolle zorg schenken.”
123