ben het vaste plan om van de zeevaart een belangrijk onderdeel van het werk van hun staat te maken. In de tweede oorlog hebben zij bewezen dat zij goede matrozen en bootsleden kunnen leveren. Een van de eerste daden van de nieuwe staat zal zijn, zo werd mij verzekerd, de oprichting van een zeevaartschool met officierenopleiding. De haven van Tel Aviv behoort tot de Marine Trust Limited, waarvan onze vroegere landgenoot, de heer S. Hoofiën, voorzitter is. In het jaar 1939 waren reeds 1256 man in dienst van de haven. In de volgende jaren liep dat door de omstandigheden terug, maar nu zijn reeds meer dan 600 man weer in dienst.
De salarissen zijn hier, zoals haast overal in Erets Jisraeel, zeer hoog. Zeker in verhouding tot de salarissen die in het Midden-Oosten in het algemeen, ook in het havenbedrijf, worden betaald. Of dat in de naaste toekomst niet tot moeilijkheden zal leiden is een vraag waarop niemand hier graag antwoord geeft, ook de heer Zippstein niet. De samenwerking tussen hoger en lager personeel is uitstekend. Ieder is zich bewust mee te bouwen aan dat wat straks wellicht een van de slagaders zal zijn van het Joodse Tel Aviv.
Ik zie vanuit mijn kamer uit op de haven. Iedere morgen is de eerste vraag van mijn gastheer: „Hoeveel schepen liggen er voor Tel Aviv, en hoeveel voor Jaffa?” Eerlang zal Jaffa dat door een Joodse concessie buiten de Joodse Staat ligt, of Joods moeten worden of minder agressief. Nu wordt er voortdurend vanuit Jaffa geschoten. Maar de haven van Jaffa is nu al veel minder belangrijk.
En Haifa? „Daar moet je Hollander voor zijn,”
93