bouwen, die de plaats van iedere mens en ieder ding kent.
Het is ruw weer, de associatie met een Hollandse haven wordt sterker. „U houdt van de zee,” zeg ik. „De zee heeft mij uit het buitenland naar huis terugdreven,” antwoordt hij. Zo’n antwoord legt een band tussen mensen. De lucht van de zee, de zang van de golven brengt de band met huis en met de jeugd. Zal deze haven ooit zo groot worden als een Hollandse haven?
Voorlopig zeker niet. Alles is hier nog in het beginstadium. Maar straks als de vele immigranten komen en d;t de haven wordt van de hoofdstad — wie weet ? Zippstein vertelt van het povere begin, van de nood-pier die werd weggeslagen in de eerste storm. Van de houten bootjes, die nu evenals in het buitenland en in tegenstelling met Jaffa, door ijzeren vervangen zijn. „Zoals vanzelf spreekt is ons streven een haven met een diepgang voor zeeschepen te bouwen. De ontwikkeling van de Joodse vloot zal daartoe in de naaste toekomst veel bijdragen.”
Een Joodse vloot, Joodse matrozen en mariniers, vissers en bootslieden. Ik ben aan veel gewend geraakt. De gedachte aan het galoeth, aan de onterende ballingschap met zijn speciale beroepen voor Joden ligt achter mij. En toch moet ik aan deze dingen wennen.
De zeevaart heeft in dit land een grote kans: De Arabieren hebben er nooit gebruik van gemaakt. De erfenis van de Phoeniciërs, de Hollanders van de oudheid, die hun koopwaar van overal haalden en de vrachtvaarders waren niet voor het Midden-Oosten alleen, wacht nog steeds op opvolgers. De Joden heb-
92