vanzelf dat er veel café’s en restaurants zijn en dat de winkeliers werk maken van hun étalages.
Een drukke stad uit het Westen, geplant in het Oosten, dat is Tel Aviv. Hier klopt de pols van de nieuwe Joodse staat. De industrie ontwikkelt zich in de omgeving met een geweldige vaart, hier worden de plannen gemaakt, hier werkt een gemeenschap dag en nacht om een eeuwenlang wachten in te halen. Of dit draven past in de sfeer van het Oosten, wordt terecht vaak betwijfeld. Maar of men gezien de positie van het Joodse volk dit argument kan laten gelden is een andere zaak.
Ik heb gesproken met de gemeente-secretaris,
met de leider van de Kamer van Koophandel, met de Wethouder van Onderwijs en de manager van de haven. Zij verkeerden allen voortdurend ,,in tijdnood”. De toestand van geleidelijke ontwikkeling, van een zekere rust waarin de tijd zijn werk kan doen, is nog niet bereikt. Er ontstaat iets. Men is bezig met een groot werk. Vandaag is het nog zo, morgen moet het anders zijn, moet men verder zijn. Ik moest voortdurend aan Herzls woorden denken:
„Men vindt Joods geld in grote mate voor een Chinese lening, voor neger-spoorlijnen in Afrika, voor de meest avontuurlijke ondernemingen — en voor de diepste, meest nabije, kwellendste noden der Joden zou het niet te vinden zijn? ....”
Niet alleen het geld is hier te vinden, ook de voortdurende energie. Stellig komt de staat niet tot stand zonder het werk in de kolonies, verspreid ever het gehele land. Maar het belang van een centrum als
87